Column Marcel: Over nachtmerries en angsten

column Marcel

Mijn vader reed. Hij hield zich aan de snelheid. Zo is hij. Ik zat achterin, naast Sammie, die rustig in haar stoeltje zat. Ze speelde wat met haar konijn dat na anderhalf jaar inmiddels niet roze meer was. Lichtgrijs, dat was-ie, en viezig, maar in de wasmachine was geen optie. We hadden het één keer gedaan en Sammie was vier dagen lang ontroostbaar
geweest. We reden over de A6, richting de polder, richting het noorden, de plek waar mijn ouders’ huis staat.

Voor ons doemde een brug op, de Ketelbrug. De knipperlichten knipperden niet, de roodwitte bomen stonden allevier omhoog. Niks aan de hand. De zon scheen ook nog. Ik dacht eerst nog: ik zie het niet goed. Maar ik zag het wel goed; de brug ging langzaam open. Mijn vader bleef stug 120 rijden. Hij zag het niet, het voor ons opdoemende gevaar. Ik riep dat hij moest remmen, stoppen, pa, stoppen, maar hij hoorde het niet. Of misschien hoorde hij het wel, maar hij deed niks. Sterker, hij begon harder te rijden. Ik schreeuwde nu. Ik gilde zelfs. Heel hoog, ik leek wel een meisje, maar dat kon me nu niet schelen. Ik was doodsbang. Ik zag het eind naderbij komen met 160 kilometer per uur. Sammie begon te huilen. Ze wist dat er iets mis was, ze hoorde het aan haar vader. Ik dook over haar heen, zette me schrap, voelde in mijn maag dat we vlogen, een paar seconden lang. Het was heel even heel erg stil in die seconden. Geen motor, geen schreeuw, geen huil, niks, alleen het suizen van de wind die om de wagen joeg.

Toen raakten we het water. En werd ik wakker. Nachtmerrie. Het eerste wat ik dacht:
ik heb sinds A Nightmare on Elm Street, die horrorfilm uit de jaren tachtig, geen nachtmerrie meer gehad. Toen was ik dertien of zo.
Jong, in ieder geval. Nu wel dus, nu had ik een nachtmerrie. En een erge ook. Het zweet stond op m’n rug, ik was oprecht bang. Naast me lag Carlijn te slapen, een kamer verder droomde Sammie van vlinders, ijs, Nijntje, geprakt fruit en regenbogen.

“Als Sammie straks door het bos wil fietsen, naar haar vriendje, dan fiets ik met haar mee. Stiekem, op een afstandje”

Ik ben geen psycholoog, maar ik wist heus wel waar die nachtmerrie vandaan kwam. Anne Faber was een paar uur daarvoor gevonden, namelijk. 25 jaar. Dood. Vermoord door een gestoorde geest. Wellicht hebben jullie er in het mooie Vlaanderen niks van meegekregen, maar deze leuke jonge vrouw fietste op een regenachtige middag door het bos naar haar vriendje en kwam nooit meer thuis. Bijna twee weken lang leefden haar
familie en vrienden in onzekerheid. Tot ze gevonden werd op een verlaten plek, aangewezen door de ‘vermoedelijke dader’. Het is inmiddels alweer een paar weken geleden, voor velen waarschijnlijk al naar de achtergrond gedrongen door ander wereldleed. Niet in mijn huis. Ik denk nog vaak aan Anne. Zoiets zou me al geraakt hebben voordat ik vader was. Nu ik een dochter heb, ben ik nog woester, moedelozer, verdrietiger.

Sinds ik Sammie heb, ben ik bang haar kwijt te raken. Daar moet je niet aan denken, zeggen de mensen dan, dat is niet gezond. Het noodlot is het noodlot, zeggen ze, daar kun je niks aan doen. Je moet je leven leiden en niet bang zijn. Laat je kind vrij, joh, laat haar haar eigen gang gaan. Dat zeiden ze vast ook tegen de vader en moeder van Anne. En ze hadden gelijk, je kunt je kind niet vast blijven houden. Dat is ongezond. Maar als Sammie straks door de regen wil fietsen, door het bos, op weg naar haar vriendje, dan fiets ik met haar mee. Stiekem, op een afstandje.

Marcel Langedijk is…45 jaar / freelance journalist en schrijver / samen met Carlijn / sinds 2016 papa van dochter Sammie

Lees ook:

 

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)