Openhartig: Mieke werd door haar moeder verwaarloosd en groeide op in een instelling

Openhartig: Mieke werd door haar moeder verwaarloosd en groeide op in een instelling
Rear view of one mature woman sitting on a park bench in the summer season. Bright sunny day with lush green grass and trees. The woman gazes off into the distance as she relaxes on a beautiful day. Solitude, lonliness, contemplation. She has short blond hair and wears a purple shirt and jeans. Copyspace to right in this tranquil nature scene.

Mieke (49) werd als kind door haar moeder vernederd en mishandeld. Dat ze op haar dertiende in een instelling belandde, was haar redding.

“Mijn broer en ik mochten niets. Wij zaten hele dagen in een kamertje met een stapelbed door de gordijnen te gluren naar de andere kinderen die buiten speelden”

“Ik was de tweede in een rij van zes kinderen, mijn broer Didier de derde, en zolang ik me kan herinneren, heeft mijn moeder ons tweeën altijd verstoten. De andere kinderen kregen een gewone opvoeding. Zij mochten aan tafel eten. Zij mochten buiten spelen. Zij hadden verjaardagsfeestjes en voor hen waren er cadeautjes met Kerstmis en Sinterklaas. Mijn broer en ik mochten niets. De living was verboden terrein voor ons. We deelden een klein kamertje, waar net een stapelbed in kon, en daar moesten we de hele dag blijven.

We schreven er uren aan een stuk straf op onze knieën, of gluurden er soms door de gesloten gordijnen. Eten moesten we daar, of in de garage. Soms was er niets, omdat ze ons vergeten waren. Drinken kregen we niet. Daarvoor moesten we naar de badkamer sluipen om er stiekem van het kraantje te drinken. Ik mocht alleen de kamer uit om naar school te gaan, of het huis te poetsen. Zelfs als we op vakantie gingen naar Duitsland, dan zat iedereen ’s avonds in de stacaravan en moesten mijn broer en ik in de voortent blijven.

Te laat op school

Hoe is het in godsnaam mogelijk dat een moeder zoiets met haar kinderen doet? Nu vraag ik me dat af, maar toen wisten we niet beter. Gingen mijn ouders een middag weg, dan kregen de andere kinderen de opdracht om ons te bewaken. Soms betrapten ze ons, omdat we de kamer uit waren geslopen om een stripverhaal te halen dat we heel stil onder de lakens lazen. Als ze dat aan onze ouders vertelden, sleurde mijn ma me bij de haren naar de badkamer en sloeg ze me met de riem van mijn vader. Ik heb ontzettend veel slaag gekregen. Soms stond ik in het donkere gangetje bij de voordeur kleren te verstellen, en kwam mijn moeder gewoon even langs om me een klap te verkopen. Ze gebruikte nooit mijn naam. ‘Gij heks’, zei ze meestal.

Wat ik me nog wel eens afvraag, is waarom de volwassenen in ons leven niet eerder hebben gereageerd. Mijn vader werkte hard en was een drinker. Ik denk niet dat hij ons vaak sloeg, hij kon zelfs erg lief zijn: als ik in het weekend het huishouden deed, bracht hij me weleens een kom warme soep. Maar hij nam het ook niet voor ons op. Ik ben er ook zeker van dat mijn tantes op de hoogte waren, maar misschien waren ze allemaal bang van mijn moeder.

Op school kwam ik vaak te laat, omdat ik eerst de trap en de badkamer moest poetsen, en ik stond geregeld vol blauwe plekken. Ik haalde slechte punten, omdat ik thuis geen huiswerk mocht maken. Waarom heeft niemand daar ooit naar gevraagd? Zelf durfde ik niets te vertellen. ‘Als je ooit iets zegt, maak ik je kapot’, dat had mijn moeder me keer op keer op het hart gedrukt. We mochten van haar met niemand praten, dus zat ik op school altijd alleen op een bankje.

Flauwvallen van de kou

Toen ik dertien was, is de bal toch aan het rollen gegaan. Het was winter, en terwijl de andere kinderen met de bus naar school gingen, moesten mijn broer en ik te voet, of met de fiets. Maar we hadden geen warme kleren. Ik zie me nog in een rok en op sandaaltjes dat hele eind naar school lopen. Op een dag is mijn broer flauwgevallen van de kou, en een vrouw heeft hem opgeraapt. Blijkbaar moet hij haar alles hebben verteld, en heeft zij dat doorgegeven aan de politie.

“Ik zie me nog op sandaaltjes naar school stappen. Hartje winter. En niemand zei iets”

De politie is me toen op school komen ondervragen, maar het heeft drie maanden geduurd voor ik iets durfde te zeggen. Ze zeiden wel dat ze me thuis zouden weghalen, maar ik wist niet wat ze bedoelden. Ik kende ook niets van de buitenwereld, ik kon me er helemaal niets bij voorstellen. Op een gegeven moment ben ik beginnen praten. Niet veel later zijn ze ons op school komen halen, en via de rechtbank zijn we naar de instelling gegaan.

Tot dan dacht ik dat er alleen maar een leven bestond zoals ik het kende, maar in de instelling waren we plots veilig, en dat voelde zo vreemd. Ik weet nog hoe Didier en ik daar die eerste weken altijd maar aan het helpen waren, om de kleintjes eten te geven. We hadden nooit iets anders gekend dan werken. We hadden geen idee hoe dat moest: zelf kind zijn. Een opvoedster heeft ons die eerste dagen wel goed opgevangen. Ze is met ons gaan winkelen, omdat we niets hadden, en echt, wij wisten niet wat we zagen: we waren nog nooit in een winkel geweest. Ik had plots ook een eigen kamer, met een radiootje waar ik graag naar luisterde. Ongelooflijk vond ik het, ik had nooit eerder muziek gehoord.

Verder leefden we in de instelling als in een groot gezin. Op zondag gingen we naar de kerk, we kookten samen, aten samen en hadden elk onze klusjes: afruimen, afwassen… Soms gingen we wel eens op uitstap, en heel voorzichtig begon ik vriendinnen te maken. Praten over wat er gebeurd was, deed ik niet. Ik kon het nog niet, en niemand deed dat daar: iedereen leefde er met zijn eigen trauma’s. Alles was er nieuw en vrij, maar op een niveau dat voor mij hanteerbaar was: de meeste dagen draaide ik gewoon mee, op automatische piloot, maar ik denk dat ik ook niet veel meer aankon dan dat.

“Later, in de instelling, kreeg je een knuffel als je ernaar vroeg. Dat durfde ik niet, want aanraking stond voor mij gelijk aan mishandeling”

De opvoeders deden hun best. Als je een knuffel wilde, dan kon je die vragen, maar spontaan kwam zoiets niet. En ik was hoe dan ook niet in staat die te vragen: aanraking stond voor mij gelijk aan mishandeling. Achteraf heb ik gehoord dat ze je eigenlijk niet te veel mochten aanhalen – tenzij je geen ouders meer had. De bedoeling was toch nog altijd dat wij teruggingen.

Beschadigd

De opvoedsters stimuleerden me om naar school te gaan. Ik keek naar hen op, en droomde ervan om zelf voor opvoedster te leren, maar dat hebben ze me afgeraden. Na alles wat er gebeurd was thuis, was ik niet meer in staat om de theorie in mijn hoofd te stampen. Dat zeg ik nog altijd: de instelling is mijn redding geweest, het was alleen te laat. Ik was al te veel beschadigd en ze konden niets ongedaan maken. Voor mijn broer en mij was het belangrijkste wat er niet meer was. We werden niet meer geslagen, we hoefden onze vader en moeder niet meer te zien.

Veilig

Na twee jaar kwamen er kandidaat-adoptieouders, die Didier en mij graag bij zich in huis wilden nemen. Ze hadden altijd grote cadeaus voor ons bij. Een fiets en zo. Maar ik wilde dat niet, en ik vertrouwde het ook niet. In de instelling was het veilig, en ik was bang dat ik in een gezin opnieuw mishandeld zou worden. Nog later zijn mijn ouders ons af en toe beginnen bezoeken, en toen ik negentien was, werd ik aangemaand om in de weekends naar huis te gaan. Niet veel later mocht ik terug thuis gaan wonen. Ik weet nog altijd niet goed waarom ze vonden dat ik daar toen klaar voor was.

Achteraf gezien was ik beter tot mijn 21ste in het tehuis gebleven. Dan hadden ze me ook geholpen met mijn zoektocht naar een huis en naar werk: op dat soort leven was ik nu nog totaal niet voorbereid. Ik was ook nog altijd doodsbang van mijn moeder. Ze sloeg me niet meer, maar ik moest weer alle werk doen, en ze dwong me ook om afstand te doen van het spaarboekje dat ik van de instelling had meegekregen. Daar stond toen 40.000 Belgische frank (zo’n 1000 euro, nvdr) op, een heel bedrag, maar ik had geen enkel verweer tegen haar.

Zalig zwanger

Intussen had ik Martin leren kennen. Ik was bang om een relatie te beginnen, omdat ik niet wist wat ik kon verwachten, maar Martin heeft me altijd ruimte gegeven. Ik heb hem ook keer op keer mijn verhaal mogen vertellen, al zal dat voor hem zeker niet altijd makkelijk zijn geweest. Over de toekomst durfde ik toen niet eens te dromen. Maar ik had door de jaren geleerd op mijn gevoel af te gaan, en bij Martin voelde het goed. Ik ben al snel met hem gaan samenwonen. We hadden minder dan niets, maar we waren gelukkig, en niet veel later werd ik zwanger van ons eerste dochtertje. Ze was niet gepland, maar zo gewenst.

Toen ik vier maanden ver was, ben ik getrouwd, en het was de mooiste dag van mijn leven. Ik heb zelfs nog overwogen om het doopkleedje uit mijn bruidsjurk te maken, maar ik kreeg het niet over mijn hart ze stuk te knippen: met die jurk kon eindelijk iets goeds beginnen. Ik had een lieve man, en ik zou mama worden.

Eigenlijk heb ik na mijn bevalling pas echt gevoeld wat liefde was. Het was zo hevig, zo instinctief. Ik ben thuis bevallen, de verpleegster toonde me hoe ik de baby een badje kon geven, hoe ik haar kon voeden en troosten, en ze zei: ‘Amai, jij bent daar snel mee weg.’ Het was alsof ik nooit iets anders had gedaan, al was ik ook vaak bang dat het mis zou lopen. Ik had het in de instelling zo vaak horen zeggen: wat je zelf hebt meegemaakt, dat doe je ook je eigen kinderen aan. Ik heb vaak gedacht dat ik als mijn moeder zou worden. Onze tweede dochter was een huilbaby. Soms dacht ik dat ik haar iets zou aandoen, maar altijd ben ik dan even buiten gelopen om op adem te komen. Nooit heb ik mijn kinderen een klap verkocht.

Strenge opvoeding

Ik gaf wel een strenge opvoeding, omdat ik in de instelling gezien had hoe snel een gezinssituatie uit de hand kan lopen. Daar waren kinderen van criminelen, drugsverslaafden, uitbaters van bordelen… Ik heb altijd gezegd: stelen en bedriegen, dat bestaat hier niet. Maar ik mag dankbaar zijn. Ik ben nu de moeder die ik wilde zijn, en dat is dankzij mijn kinderen. Hen zien opgroeien, dat was tegelijk het mooiste en het moeilijkste. Ze zijn intussen 26, 25 en 19 en ik zie ze doodgraag, maar het was confronterend. Toen ik zag hoe ze zorgeloos konden spelen en genieten, of gewoon na school zaten te babbelen aan tafel, besefte ik pas goed wat mij als kind was aangedaan.

Alle mooie momenten, alle feesten, de reizen samen: die waren tegelijk erg moeilijk. Een kerstboom zetten, vind ik nog altijd zwaar. Ik weet nog hoe ik op een avond samen met Martin de sinterklaascadeautjes van de kinderen klaarzette en daar plots in elkaar zakte. Toen de jongste zes was, heb ik een depressie gekregen, en die heeft zeker zes jaar geduurd. Als ik daaraan terugdenk, voel ik me nog altijd schuldig tegenover mijn gezin, maar het was een oerkracht, ik kon het niet tegenhouden. Ik zat daar maar, ik wilde alleen maar rust. En de dokter gaf me wel medicatie, maar die hielp niet. Alles wat ik had meegemaakt, de angst dat ik mijn kinderen iets kon aandoen: het bleef maar door mijn hoofd malen.

“Toen ik mijn eigen kinderen zo zorgeloos zag spelen, besefte ik pas goed wat mij was aangedaan”

Op aanraden van een vriendin heb ik een paar sessies acupunctuur gevolgd. Ik weet: niemand gelooft daarin. Maar ik kon er mijn verhaal wat kwijt, en na vijf sessies voelde ik me beter. Ik heb toen ook beslist dat ik voortaan geen contact meer zou hebben met mijn ouders. Het was zo’n last die van mijn schouders viel. Dat klinkt hard, maar ik kan mijn moeder op geen enkele manier nog graag zien.

Een eigen leven

Heel af en toe heb ik nog contact met de opvoedsters van toen. Nu is het minder, maar vroeger maakte ik één of twee keer per jaar een afspraak, en ging ik even langs om bij te praten, al merkte ik wel dat ze daar eigenlijk nauwelijks tijd voor hadden. Soms hoor ik ook nog vrienden uit de instelling, en één keer heb ik zelfs een reünie gehouden. Dat was heel gezellig, maar tegelijk mag dat contact niet té intens worden. De mensen van toen, die hebben allemaal een rugzak te dragen.

Sommigen zijn er goed uitgekomen, anderen zijn nu toch op de sukkel. We waren ook niet goed voorbereid op wat ons te wachten stond. Je moet je voorstellen: je bent 21, je staat op eigen benen en je hebt vaak geen familie om op terug te vallen. Dat is voor velen toch te veel geweest, maar ik ben op geen enkele manier in staat hun problemen mee te dragen. Zelf heb ik het geluk gehad dat ik een lieve man vond, fijne kinderen kreeg, bij goede vrienden terechtkwam: de instelling bracht rust, maar het zijn mijn familie en vrienden die me echt mijn leven hebben teruggegeven.

“Ik werk ik in een kinderdagverblijf, als poetsvrouw. Ik ben zoveel liefde tekort gekomen, nu wil ik alleen maar geven, en dat kan ik hier”

Je kunt je duizend keer afvragen waarom de dingen in je kindertijd gelopen zijn zoals ze liepen, maar er komt een moment waarop je ermee moet leven. Je kunt proberen er iets van maken, of je geeft het op: er is geen weg tussen. Ik werk sinds twee jaar in een kinderdagverblijf, als poetsvrouw. Ik ben gek op kinderen: ik ben zoveel liefde tekort gekomen, en nu wil ik alleen maar geven. Natuurlijk zou ik liever als kinderverzorgster werken, maar ik ben in hun buurt, en op zich is dat al fantastisch.

Verder moet ik me erbij neerleggen dat veel in het leven voor mij gewoon te hoog gegrepen is. Ik ben gelukkig nu, maar misschien niet honderd procent. Ik heb geen dromen waargemaakt, maar wat ik heb, maakt me gelukkig. Soms denk ik wel: ik zou nu met pensioen moeten gaan, om alle verloren jaren in te halen, maar dat kan natuurlijk niet. Ik ben geen kind meer hè.”

Tekst: Kaat Schaubroeck. Beeld: Getty Images

Lees ook:

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)