Kimberley groeide op in armoede en geraakt niet uit de vicieuze cirkel

Kimberley (24): “Ik heb het eigenlijk nooit erg gevonden dat ik drie jaar lang dezelfde boekentas had. Of dat de kinderen van mijn klas een pennenzak hadden van een merk en ik niet. Ook niet dat ik geen overdaad aan koekjes of snoep had thuis. Ik heb nooit honger gehad, dankzij mijn moeder. Zij spaarde het eten uit haar mond om haar drie kinderen te kunnen voeden. Ik begrijp nu wel waarom ze nooit aandrong als ik mijn groenten en aardappelen niet wilde opeten. Dan was er meer voor mijn broer en zus. Wat ik wel erg vond, was de afstand die er ontstond tussen mij en ‘de anderen’, doordat ik het thuis moeilijk had. Ik kreeg de vraag waarom ik altijd een training droeg, en nooit een jeansbroek. Hoe moest ik uitleggen dat een training ‘s avonds snel gewassen en gedroogd was, waardoor ik hem de dag erop weer kon dragen? Of dat mijn broer en zus die ook konden dragen? Hoe moest ik uitleggen dat ik niet naar verjaardagsfeestjes ging, niet omdat ik er geen zin in had, maar omdat ik geen geld had om een cadeautje mee te brengen? Je kunt één keer naar een feestje gaan zonder cadeautje, maar ook als kind voel je aan dat dit vervelend is. En als je een paar verjaardagsfeestjes afzegt, word je op den duur niet meer gevraagd. Hoe moest ik vertellen dat ik de brieven van de bosklassen verstopte, omdat ik mijn moeder niet in de problemen wilde brengen? Ja, ik wilde graag gaan, maar ik gunde mezelf dat plezier ten koste van haar stress niet. Zij deed haar best voor ons, dus ik deed mijn best voor haar. Ik was de enige van mijn klas die niet meeging op bosklassen. Op de taken die volgden, kreeg ik een nul, ‘want dan had ik maar mee moeten gaan’. Dat vind ik onbegrijpelijk. Ik had het al zo moeilijk en ik werd nóg eens gestraft. Mijn leerkrachten hadden toch iets moeten zien?

“Mijn klasgenoten en ik stonden mijlenver uit elkaar: zij droomden over verder studeren, ik moest werk zoeken om te overleven”

Armoede draait om geld, ja. Maar het draait nog veel meer om het sociale isolement dat het met zich meebrengt. Er zijn voedselbanken voor eten en kringloopwinkels voor kleren. Er is het OCMW voor begeleiding. Maar het gaat om al de rest. Om het feit dat je zo krap zit dat er geen ruimte is om kind te zijn. Ik kon geen sport doen, want daar was geen extra geld voor. Een paar keer ben ik naar de jeugdvereniging gegaan, maar toen ik na vier keer nog altijd geen uniform had, werd ik erop aangesproken. Ik voelde me er toch al de vreemde eend in de bijt en stopte. Ook dat is een gevolg van opgroeien in armoede: ik connecteerde niet met kinderen van mijn leeftijd. Zij waren nog echt kinderen, speelden in de modder en gibberden over de gekste dingen. Ik was op die leeftijd al veel zwaarmoediger. Het leek alsof ik naar leeftijdsgenoten keek en niet begreep wie zij waren, en omgekeerd. Ik heb nooit echt kind kunnen zijn. Het is pas nu, achteraf, dat ik besef wat een groot gemis dat in mijn leven is geweest. Wat een psychologische impact dat heeft gehad.”

Altijd maar liegen

“Mijn moeder was huisvrouw, mijn vader bracht het geld binnen. Maar door zijn gokprobleem was er altijd te weinig. En hij sloeg me. Achter de rug van mijn moeder. Ook dat is armoede, hoor. Niet het vangnet hebben om te praten over je thuissituatie. Nergens terecht kunnen. Altijd tussen die vier muren van ons huis, in dezelfde miserie. Ik werd steeds opstandiger doordat ik niet gehoord werd. Doordat ik geen vrienden had omdat ik nooit ergens mee naartoe kon. Als tiener kon ik in het weekend niet mee omdat er geen geld was om iets te gaan drinken. Ik hoorde nergens thuis. Eén keer ging ik op vakantie met een vriendin en haar ouders, naar zee. Ik moet 12 of 13 jaar geweest zijn. Ik keek mijn ogen uit. Dus zo kon een gezin zijn? Zonder ruzie, zonder klappen, met genoeg geld om onbezorgd te leven? Ik vond het vreselijk om terug naar huis te keren.

De situatie met mijn vader escaleerde. Op mijn vijftiende ben ik uit huis geplaatst. Ik kwam terecht in een instelling, met tien andere jongeren die uit een moeilijke thuissituatie kwamen. Het maakte mijn leven alleen maar ingewikkelder. Mijn kansen werden nog beperkter. Want ik was een ‘instellingskind’. Als ik een vakantiejob zocht en uitlegde dat het geld op een aparte rekening gestort moest worden omdat ik in de jeugdzorg zat, zag ik mijn toekomstige baas zo zijn oordeel over me klaar hebben. Want wie in een instelling zit, heeft zelf iets mispeuterd. Terwijl ik daar met tien jongeren zat die niets misdaan hadden, maar slachtoffer waren van hun thuissituatie.

“Het is zo ongelooflijk moeilijk om zonder iets aan het leven te beginnen. Om zonder spaargeld een appartement te huren, om zonder auto of rijbewijs een job te houden”

Ik begon toen ook een dubbelleven te leiden. Ik woonde niet meer thuis, maar loog erover tegen mijn klasgenoten. Omdat ik bang was dat ze het tegen mij gingen gebruiken. Je bent vijftien, aan het puberen en sowieso heel kwetsbaar. Die leugen was het moeilijkste. Zeggen dat ik met mijn mama naar tv had gekeken, terwijl het eigenlijk met mijn medebewoners was. Uitgelachen worden omdat mijn agenda elke dag ondertekend was – welke zestienjarige laat nu elke avond z’n agenda ondertekenen door zijn ouders – omdat dat een regel was in onze instelling. Na een oudercontact liegen over een tante of nonkel, om te verklaren waarom een vreemde met me meeging. In het laatste middelbaar zat ik in zo’n andere situatie dan mijn klasgenoten dat het bijna absurd was. Zij droomden over verder studeren, een kotleven, feesten. Ik wist dat de jeugdzorg zou stoppen en dat ik een nieuwe woonplaats zou moeten zoeken, dat ik zou moeten beginnen werken om te overleven en dat ik nog honderden papieren had om in te vullen. We konden niet verder uit elkaar staan.

Ik had geluk dat ik een goede student ben. In de les kon ik me focussen, zodat ik achteraf niet meer te veel hoefde te studeren. Ik haalde mijn diploma. Maar toen ging het licht uit. Je kunt niet sterk blijven, weet ik nu. Mijn veerkracht werd al te vroeg opgebruikt. Als je van kinds af aan moet vechten, tegen de wereld, tegen je situatie, ben je moe tegen je achttiende. Als je altijd alle kansen hebt gekregen, denk je dat alles wel goed zal komen in het leven. Ik zit anders in elkaar. Als het eens goed loopt in mijn leven, zit ik eigenlijk te wachten tot het weer keert. Wie opgroeit in miserie verwacht miserie.”

Moeilijk vertrekpunt

“Het ergste vind ik: ik leef vandaag ook in armoede. Ik wilde zo graag dat het anders was, maar het is gewoon supermoeilijk om zonder iets aan het leven te beginnen. Om zonder spaargeld een appartement te huren, om zonder auto of rijbewijs een job te houden. En dan zijn er nog de tegenslagen. Ik heb een diploma als kinderverzorgster maar kan mijn job niet uitoefenen door fysieke problemen. Ik worstel nog altijd met psychische problemen, maar gesprekken bij de psycholoog zijn duur. Te duur omdat ik een leefloon heb. Net zoals veel dingen vandaag te duur zijn. Maar ik blijf hopen. Dit jaar begin ik aan studies als opvoeder. Doordat ik zelf veel heb meegemaakt, zal ik jongeren met problemen beter begrijpen. En ik hoop hun de hulp te bieden die ik zelf pas veel te laat gehad heb.”

Video:

Libelle strijdt tegen (kinder)armoede:

 

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)