Mijn verhaal: Mia werd voogd voor minderjarige vluchtelingen

Mijn verhaal: Mia werd voogd voor minderjarige vluchtelingen
A little boy runs down a hill as the sun sets in the sky.

Mia (62): “Ik heb twintig jaar gewerkt bij kinderen met een beperking, en twintig jaar als praktijklector in een hogeschool. In onze vakanties gaan mijn man en ik vaak naar Brazilië, waar we betrokken zijn bij projecten met jongeren. Dat engagement was voor mij altijd vanzelfsprekend, en tegelijkertijd ben ik een leven lang voorbijgelopen aan de mensen van een andere origine in ons land. Ze maakten geen deel uit van mijn wereld, en vrouwen met hoofddoeken, daar had ik het eerlijk gezegd echt moeilijk mee. Pas sinds ik voogd ben voor drie minderjarige vluchtelingen, zijn mijn ogen opengegaan. Voor mij zijn er nu geen ‘vreemdelingen’ meer, geen hoofddoeken, ik zie alleen nog mensen met een verhaal.

In 2015 ben ik met pensioen gegaan, en daar was ik vooraf wel wat bang voor. Ik wilde niet tussen vier muren zitten: ik poets wel graag, maar niet de hele dag. (lacht) Tijdens de vluchtelingencrisis werd ik enorm geraakt door de verhalen, en ik wilde meer doen dan ‘ocharme’ zuchten. Toen ik las dat ze voogden zochten om minderjarige vluchtelingen te begeleiden, heb ik me aangemeld, en na een eerste selectiegesprek begon ik aan een vijfdaagse opleiding. Nog tijdens die opleiding kreeg ik de vraag of ik al kon starten. Zo kwam ik in maart 2016 in contact met Abdul, een jongen van vijftien uit Afghanistan.

“Toen ik Abdul vroeg wat hij hier miste, zei hij: Mijn mama. Mijn zus. Mijn broer. Alles

Ik zie hem daar nog zitten, in een lokaaltje van het opvangcentrum: heel verlegen, bang om mij aan te kijken. Omdat hij de taal nog niet sprak, was er een tolk bij, en zo kon ik hem vertellen dat ik hem zou helpen bij de asielprocedure, maar dat ik ook verantwoordelijk was voor zijn algemeen welzijn. Ik ga bijvoorbeeld mee naar oudercontacten op school, ik ben er als hij problemen heeft in het centrum, als hij naar de bank moet…

Toen ik hem tijdens dat gesprek vroeg of hij hier iets miste, zei hij: ‘Mijn mama. En mijn zus, mijn broer, het eten. Alles.’ Hij kreeg 7 euro zakgeld per week en 1,5 euro per uur klusgeld, als hij bijvoorbeeld de toiletten schoonmaakte. Dat spaarde hij, zodat hij om de twee weken even naar zijn mama kon bellen. Zijn eenzaamheid raakte me enorm, en ik had na dat gesprek heel veel vragen waar ik nog altijd mee worstel. Als voogd mag ik Abdul niet mee naar huis nemen, daar zijn ze heel strikt in. En dan denk ik: wie zal hem dan ooit eens knuffelen? Hoe moet hij ooit zien wat een gewoon gezinsleven is, als hij daar niet binnen mag?

Intussen heb ik nog twee andere Afghaanse jongens onder mijn hoede en hun verdriet treft me telkens weer. Tachtig procent van de niet begeleide minderjarigen komt uit Afghanistan. Hun vaders worden ginds door de Taliban opgepakt, gevangen gezet of vermoord. Als de jongens een jaar of twaalf worden, zijn hun moeders bang dat zij het volgende slachtoffer worden. Dus verzamelen ze al hun spaargeld, soms verkopen ze hun hele hebben en houden, om hun kind met mensensmokkelaars mee te kunnen sturen. De tocht hierheen is enorm zwaar, maar het is hun enige kans. Een van mijn jongeren raakte onderweg zijn broer kwijt. De andere zag hoe zijn vader en broer voor zijn ogen werden vermoord en kreeg zelf een schotwonde in zijn voet. Hij kreeg ook nog een messteek en heeft schipbreuk geleden. Abdul werd drie dagen opgesloten in een pick-uptruck, waardoor hij vaak nachtmerries heeft. Als ik dan bedenk hoe kwetsbaar mijn eigen drie kinderen als tieners nog waren, bloedt mijn hart.

Hoe die jongeren zich ondanks alles staande houden, dat is indrukwekkend, en tegelijk is het een valkuil. We leren hen hier te overleven, maar we doen zo weinig met hun trauma’s. Die blijven ze in hun eentje dragen, tot ze crashen. Soms rebelleren ze op school, soms vechten ze. Het zijn pubers, ze hebben behoefte aan warmte en een stevige begeleiding. En de begeleiders in de centra doen hun werk met overgave, maar ze zijn gewoon met te weinig: vaak is er niet eens personeel ’s morgens. Die jongens moeten zelf zien dat ze opstaan, ontbijten en naar school gaan. In de samenleving worden ze intussen vaak afgewezen. Abdul wil werken, hij heeft zich ingeschreven bij de VDAB, maar daarvoor moest hij een bankkaart hebben. En dan stel je met verbazing vast dat sommige banken geen vluchtelingen willen. Dat vind ik schokkend. Wat me hoop geeft, is dat er nog altijd zoveel vrijwilligers zijn die wel solidair willen zijn. Je kunt voor die jongens écht het verschil maken. Abduls mama zegt: ‘Nu heb jij een Belgische mama.’ Ik wil die plek niet claimen, maar als ik aankom in het centrum, dan zie ik wel hoe blij Abdul is. Dan wil hij me zijn kamer laten zien en zeg ik: ‘Tof, je hebt opgeruimd, en je handdoeken hangen mooi op een rek.’ Ik kan niet toveren, maar ik ben er voor hem. Ik geef hem iets mee van warmte, en van handvatten om in het leven te staan.”

Nog meer ‘Mijn verhaal’:

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)