Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Wie mee naar de tuin loopt, die ziet hoop. Want die is er. Af en toe is er echt nog hoop”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (36) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Een klein paradijs

Al enkele dagen schijnt de zon, volop, en ze verricht wonderen. In een paar dagen tijd is de tuin de extra speelkamer geworden waar de kinderen in de winter amper naar hebben omgekeken.

“Ik deed alles om aan iedereen te tonen dat ik het kon, de wilde tuin van Stijn onderhouden”

Een tijd geleden nog stond ik wat verweesd naar de tuin te staren, naar de overwoekering, de wildgroei, in het besef dat ik er niet meer naar had omgekeken sinds de vorige zomer. Toen genoten we van de tuin, omdat ik er in de lente zo hard in had gewerkt. De lente waarin we voor het eerst zonder Stijn door de dagen gingen, de lente waarin ik behoefte had om mij af te reageren op eender wat. Ik snoeide bomen, hakte stapels hout, ruimde rommel op, keerde alles om wat om te keren viel, spitte grote delen om, ik deed alles om aan iedereen te tonen dat ik het kon, de wilde tuin van Stijn onderhouden. Want het wás de tuin van Stijn geweest, altijd al.

Ooit beslisten we van Antwerpen, waar we elkaar hadden leren kennen, naar Gent te verhuizen. Om de afstand tussen onze twee families en vrienden wat evenrediger te maken. Stijn wilde alleen een huis kopen in Gent als er een wilde tuin bij hoorde. Omdat ik het geluk niet in Antwerpen had kunnen vinden, ging ik naarstig op zoek en vond uiteindelijk die wilde tuin in Gent. We kochten de bouwval die bij de tuin hoorde, werden door iedereen gek verklaard, maar wezen altijd naar dat stukje groen paradijs.

Toegegeven: zo gigantisch groot is de lap grond niet, op zich is onze tuin een wat uit de kluiten gewassen stadstuintje, maar wel eentje met veel bomen en met een overvloed aan groen, struiken, wildernis en dus: werk. Al die jaren had Stijn dat tuinwerk voor zijn rekening genomen. Omdat hij degene was met de groene vingers. Ik zat erbij en keek ernaar.

Ik schreef het al eerder, hoe bepaalde dingen zich in een relatie als vanzelf vastzetten, hoe mensen zaken naar de ander doorschuiven of naar zich toetrekken, hoe een taakverdeling jarenlang onafgesproken toch afgesproken lijkt. En hoe het pas opvalt dat iets niet meer gebeurt wanneer de ander er niet meer is.

Enkele weken geleden, toen de eerste zon wat begon te schijnen, nog voor de lente echt begon, had ik het eindelijk door. Het was niet dat ik zelf geen groene vingers had, ik had er gewoon nooit het plezier van ingezien, omdat er altijd iemand anders mee bezig was. Zoals een mens ook nooit echt zal leren koken als de maaltijd telkens op tafel komt zonder zelf mee te werken. Je leert pas bij wanneer je het zelf moet doen. Je kunt ook pas beseffen dat je iets al dan niet leuk vindt als je het mag uitproberen, met vallen en opstaan.

Stijn had altijd een plan in de tuin en als ik ergens niet mee akkoord ging, dan kreeg hij het altijd uitgelegd. En omdat ik zo weinig deed in de tuin, verloor ik ook het vertrouwen om er zelf in aan de slag te gaan. Want Stijn kon het beter, daar was ik van overtuigd.

Toen Stijn overleed, panikeerde ik over heel wat dingen. Over ons leven, de kinderen, de toekomst, maar ook over de tuin. Hoe zou ik die in mijn eentje van de ondergang kunnen redden?

“Sinds kort werk ik niet meer alleen in de tuin als eerbetoon aan Stijn, maar geniet ik van elk moment”

Sinds enkele weken durf ik te zeggen dat de tuin ook van mij is geworden. Ik ben niet meer alleen voor de tuin aan het zorgen als eerbetoon aan Stijn, ik ben er met volle zelfvertrouwen in bezig en geniet van elk moment, kijk naar de lentebloei, lach om mijn eigen meligheid, vloek wanneer iets niet meteen loopt of groeit zoals ik het wens, en denk heel vaak: hij zou me bezig moeten zien.

Wie ons huis passeert, ziet nog steeds een trieste plant hangen. De gevelplant en ik, we zullen nooit de beste vrienden worden. Maar wie door ons huis mee naar achteren mag, over het terras, de tuin in, die ziet een klein paradijs, waar wildernis overheerst, waar bloemen kleur geven, waar wordt gespeeld en geglimlacht. Waar ook wordt gehuild en stevig gevloekt, vaak zelfs, maar in een rust die enkel daar te vinden is. Wie mee naar de tuin loopt hier, die ziet hoop. Want die is er. Af en toe is er echt nog hoop.

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!