Mijn verhaal: Uus zocht anderhalf jaar naar haar vermiste broer Casper

Mijn verhaal: Uus zocht anderhalf jaar naar haar vermiste broer Casper

De broer van Uus trok samen met een vriend door Venezuela, tot elk contact verbroken werd en de twee verdwenen. Pas anderhalf jaar later kwam ze te weten dat ze haar lieve broer nooit meer zou terugzien.

“De zitjes in het vliegtuig voor Casper en Christophe bleven leeg. Toen ik dat hoorde, werd het zwart voor m’n ogen en wist ik: dit klopt niet”

Het is december 2005 als Uus te horen krijgt dat haar broer Casper word vermist. Samen met zijn studiegenoot Christophe maakte hij een rondreis door Venezuela, maar net voor het einde van de tocht stopte alle mailcontact met het thuisfront. In zijn laatste bericht, op 20 november, kondigde Casper aan dat hij een tijdje niet bereikbaar zou zijn omdat hij en Christophe enkele dagen in de bergen van het Sierra Nevada Nationaal Park zouden gaan trekken. Maar de berichten bleven uit, voor meer dan enkele dagen. ‘Geen nieuws, goed nieuws’ kon de gemoederen aanvankelijk wat bedaren, tot de stilte abnormaal lang bleef duren.

Uus: “Na enkele dagen zonder een mail van Casper ging een eerste alarm af. Niet oorverdovend, maar een zacht belletje dat achteraan in m’n hoofd rinkelde. Ik werd bezorgd, maar Casper had ons vooraf verwittigd dat hij even onbereikbaar zou zijn. Maar hoe lang duurt dat, ‘even’? En wat is dan ‘normaal’? Casper was groot en zelfstandig genoeg om een paar dagen niks van zich te laten horen. Bovendien was zijn thuiskomst niet veel later gepland, dus dacht ik: ‘Straks staat hij hier gewoon om alles uit te leggen.’ Tegelijk kon ik het gerommel in m’n onderbuik maar moeilijk negeren: ‘Het zal toch niet waar zijn?’

Drie weken later kreeg ik op mijn werk in het ziekenhuis telefoon van mijn vader. Ik herinner me dat moment nog als gisteren. ‘De jongens zitten niet op hun geboekte terugvlucht, Uus.’ In zijn kenmerkende, heldere stijl bracht papa het onheilspellende nieuws. Gek was dat, want eerder kregen we nochtans te horen dat Casper en Christophe wél waren ingecheckt. Blijkbaar wordt iedereen door de luchtvaartmaatschappij automatisch als aanwezig aangeduid tot het tegendeel bewezen is. Dat bleek nu dus het geval: de zitjes die in het vliegtuig voor Casper en Christophe waren gereserveerd bleven leeg. Toen ik dat hoorde, moest ik gaan zitten. Het werd zwart voor m’n ogen en ik wist: ‘Dit klopt niet.’ Dit soort roekeloosheid was niet zijn stijl. We kregen binnen ons gezin veel vrijheid, maar er waren wel duidelijke – soms onuitgesproken – afspraken en verwachtingen waar iedereen zich aan hield. Onaangekondigd een vlucht missen paste daar niet in. Ik voelde meteen paniek, en dacht tegelijk: ‘Nu moeten we alles op alles zetten.’

Voortgestuwd door paniek

Na het telefoontje van m’n vader kon ik het niet opbrengen nog patiënten te zien. Ik heb alleen nog het hoogstnodige afgewerkt, reed naar huis en snel daarna naar mijn ouderlijke huis. Daar wilde ik zijn. Mijn zussen Sarah en Koos hadden dezelfde behoefte, dus die avond zaten we er met z’n allen rond de tafel. We praatten over mogelijke scenario’s van wat er was gebeurd tot acties die we zouden ondernemen om de jongens zo snel mogelijk te vinden en mensen met wie we contact konden opnemen. We werden voortgestuwd door paniek, maar moesten toch vooral op ons verstand leunen. Als je de emoties de bovenhand laat nemen, krijg je niks meer geregeld.

De samenhorigheid tussen ons was op dat moment ontzettend groot. We legden zo veel mogelijk contacten: met de Belgische ambassade in Caracas, de Venezolaanse ambassade in Brussel, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de lokale politie en de Cel Vermiste Personen. Maar we stuurden ook persoonlijke berichten naar mensen in de regio, stelden een kettingmail op en zorgden voor een Spaanse vertaling. We verdiepten ons in het gsm-bereik op de route die Casper en z’n vriend daar volgden. We belden rond, verzamelden informatie over zijn kampeeruitrusting en stonden de pers te woord. Er ontstond al snel – en als vanzelf – een soort taakverdeling: mijn vader zorgde voor het inzicht en de communicatie, mijn moeder voor eten op tafel en balsem op de ziel. Ook mijn zussen en ik vulden elkaar goed aan. We hielden ons sterk als we samen waren, om elkaar, en zeker onze ouders, te sparen van nog meer angst. Het hielp dat iedereen ook altijd kon terugkeren naar zijn eigen huis. Ik zette onderweg steeds dezelfde muziek op: Pieter Porters’ ‘Pictures of Passion’. Dat was voor mij het moment om mijn tranen de vrije loop te laten.

“We vinden ze wel”

Uiteraard voelden we de drang om op het vliegtuig te springen, maar we wisten ook dat we daarmee meteen twaalf kostbare uren zouden verliezen. In het begin van een verdwijning is elke minuut van tel en elk uur cruciaal. Toen dachten we nog dat het op een paar dagen geklonken zou zijn en dat we onze zoektocht zouden kunnen staken met een uitbundig feest. De tafel in de living van m’n ouders raakte bedolven onder steeds hoger wordende stapels papier: uitgeprinte mails, kaarten van de streek… Vanuit Vosselaar probeerden we ons een beeld te vormen van Mérida en de nabijgelegen Sierra Nevada. We waren voortdurend met prints van hoogtelijnen en paden in de weer. In het begin was dat zoeken. Na verloop van tijd kenden we het gebied als onze broekzak: we spraken over de bergkammen, dorpjes en dalen alsof we er waren opgegroeid. We hadden contact met de lokale autoriteiten, professoren gespecialiseerd in rampen en reddingsteams, maar ook met toeristen ter plaatse.

Ondertussen bleef die slinger maar over en weer gaan, van hoop naar wanhoop en terug. Het lijken tegengestelde gevoelens, maar ik leerde dat de twee hand in hand gaan. Ik kon die zogenaamde uitersten op een kwartier tijd in mijn hoofd verenigen. Zo liep ik voor een theatervoorstelling in de Vooruit in Gent langs de balzaal en dacht ik: ‘Hier moeten we de thuiskomst van Casper straks vieren.’ En een paar minuten later sloeg ik het programmaboekje open, op zoek naar zinnen die mooi zouden zijn op zijn begrafenis.

We waren bang, maar tegelijk bleven we van het meest gunstige scenario uitgaan. We rekenden op een goede afloop. Er waren tenslotte positieve pistes die konden verklaren waarom Casper niks liet weten. Misschien waren ze verdwaald en doolden ze nog ergens in een verlaten bos rond? Of waren ze stomweg van een richel gegleden? Ze konden ook getroffen zijn door een losgekomen rotsblok. Dan zaten ze misschien gewond op hulp te wachten. Helaas konden we ook om mogelijke gruweluitkomsten niet heen: een fataal ongeval of een roofmoord waren ook reële scenario’s.

De meest optimistische gedachte was ongetwijfeld die aan een ontvoering. In dat gebied zijn twee Colombiaanse guerillagroepen actief. Al richten zij hun pijlen liever op bedrijfsleiders of rijke toeristen dan op twee jongen knapen met een rugzak. Toch dacht ik toen vooral: ontvoerders wachten graag lang voor ze contact opnemen. Zo kon ik weer even meedrijven op dat hoopgevende idee. Tot het opnieuw begon te knagen: ‘We hoorden nog niks van hen, de FARC ontvoerde nog nooit mensen op die plek.’ We hoopten eerst vooral nog dat ze niet gewond waren. Maar hoe langer de zoektocht duurde, hoe meer we gewoon hoopten dat ze nog in leven waren. En de wanhoop werd na iedere hypothese die we konden schrappen, groter.

Sandaal en fototoestel

Na een lange periode vol intense zoektochten met een honderdtal vrijwilligers en helikopters, leken de mensen in Mérida de kans op een goede afloop op te geven. Ze schroefden hun acties terug. Dat zij een versnelling lager schakelden, was voor ons moeilijk om te aanvaarden. Wij leefden nog steeds op hoop, maar de mailtjes stroomden niet meer binnen zoals in het begin. Oorspronkelijk vroegen die al mijn vrije tijd en veel nachtwerk: ik kon toch niet gaan slapen met nog tientallen onbeantwoorde mails in mijn inbox?

Maar stilaan nam dat mailverkeer dus af en kwam er tijd vrij voor andere dingen. Af en toe werd ik opnieuw uitgenodigd voor ontspannende activiteiten die niks met Casper te maken hadden. Soms ging ik daarop in, meestal met tegenzin. Maar eens ik er was, besefte ik dat er tussenuit knijpen ook deugd kon doen. Zelfs al bleef ik ook dan overal linken leggen met Caspers verdwijning. Nieuws dat er maar een klein beetje mee te maken had, greep me telkens bij de keel. Mensen die me vertelden dat ze ooit op reis gingen naar Venezuela, een krantenkop over je kind loslaten… Het leek wel alsof de hele wereld in teken stond van Casper.

Mijn ouders en de ouders van Christophe zijn toen naar Caracas en Mérida afgereisd. Ze hebben de zoektocht en het onderzoek zo nieuw leven ingeblazen, maar ze kwamen ook met veel vraagtekens terug. Enkele weken later trok ook ik met mijn zussen en mijn schoonbroer naar daar. Daarna kregen we het ontstellende bericht dat er bezittingen van de jongens waren gevonden aan de oevers van de rivier La Fría, niet ver van de stad. Een viertal maanden na Caspers verdwijning, vonden ze een sandaal, een fototoestel, een rugzak en een ziekenfondskaart met zijn naam op. Dat die aan Casper en Christophe toebehoorden was logisch, maar mijn brein kon dat toen niet vatten.

Zelfs niet wanneer ze na de bezittingen ook stoffelijke resten terugvonden. De puzzelstukjes pasten netjes, maar met een bijna onbegrijpelijke naïviteit hield ik de mogelijkheid van kidnapping open: ‘Wat als het om een schapenkadaver gaat en hun ontvoerders nu in hun vuistje zitten te lachen?’

Een identificatie aan de hand van DNA-onderzoek was de volgende stap. Zo’n analyse duurt enkele weken, maar de eerste pogingen in Venezuela mislukten. Maandenlang moesten we vol spanning wachten op een antwoord dat we eigenlijk niet wilden krijgen, maar tegelijk wel nodig hadden. We hadden nood aan duidelijkheid, zekerheid en bevestiging om vooruit te kunnen. Een DNA-match zou zonder twijfel een onmetelijk verdriet in gang zetten, maar wat was de andere optie? Als het niet om Casper en Chistophe ging, waar waren zij dan wel? En moesten we dan blijven zoeken? Zouden we ooit berusting vinden zonder afscheid te kunnen nemen? Zo’n eeuwig durende onzekerheid leek ons ondenkbaar en ondraaglijk.

Afscheid met pizza

Als ik terugkijk, zie ik een groot contrast tussen hoe wij als gezin bleven hopen en anderen uit onze omgeving veel sneller opgaven. Onze hoop was er natuurlijk ook niet continu, maar we vonden elke keer opnieuw iets om ons aan vast te klampen. Dat was ons recht, maar ook onze plicht, en het hield ons op de been.

“Eerst hoop je dat hij gezond thuiskomt. Daarna dat hij gewoon thuiskomt. En uiteindelijk hoop je enkel nog dat ze zijn lichaam vinden”

Tot het resultaat van die DNA-analyse ons dus ook die laatste strohalm ontnam. Die klap was hard, het feit dat het definitief was, sneed diep. Maar het was ook nodig. Zolang je kunt geloven dat het goedkomt, blijf je ter plaatse trappelen. Nu konden we aan onze echte rouw beginnen. En dat Casper nu toch terug thuis kon komen was ook belangrijk: eindelijk bij ons. Het illustreert hoe we de hoop op een bijna absurde manier moesten verschuiven. Eerst hoopten we dat Casper nog leefde en gewoon veilig en gezond kon thuiskomen. Daarna mocht gezond ook gewond zijn, als we hem maar vonden. Tot uiteindelijk enkel nog de hoop restte dat zijn lichaam terug zou gevonden worden. Je zou kunnen zeggen dat ons afscheid van Casper stapsgewijs verliep. Het ging tergend traag, maar we kregen wel de tijd om te wennen aan het idee. Als zoiets al bestaat.

We zullen nooit helemaal zeker weten wat er met Casper is gebeurd, maar we hebben hem wel kunnen begraven, anderhalf jaar na de datum die zijn thuiskomst had moeten zijn. We namen afscheid van hem in de kerk. Op een traditionele plek in een klassieke dienst met een priester die ons veel vrijheid gunde. Hij tekende de krijtlijnen en daarbinnen konden we zelf kleuren, samen met iedereen die hem graag zag. Wie dat wou, kreeg de kans om afscheid te nemen met een tekst. Het werden er veel en het was ontzettend mooi. Het had niet mooier kunnen zijn. Net zoals het afscheid jaren daarvoor, toen hij vertrok. Toen aten we pizza en sloten we af met Irish Coffee. We zeiden dag met een dikke knuffel. Ik zie hem nog zo vertrekken. Nietsvermoedend en met een grote rugzak trok hij te voet richting station, om ‘zijn conditie nog wat te trainen voor de grote reis’. Geen vuiltje aan de lucht.

Bange moeder

Tot Casper verdween waren we zondagskinderen: we leidden een comfortabel leven met veel hobby’s en vrienden. Alles ging best. Zelfs toen het eind 2005 oorverdovend stil werd rond m’n broer, dachten we nog: ‘Het komt vanzelf wel weer goed.’ Vandaag is dat anders. Nu wéét ik uit eerste hand hoe kwetsbaar je als mens bent. Bovendien besef ik dat het leven heel oneerlijk is: het is niet omdat ik al een broer verloor, dat ik nu geen andere erge dingen meer kan meemaken. Ik heb minder vertrouwen in een goede afloop en dat maakt van mij een bange moeder. Het is ook geen toeval dat mijn man en ik twee kinderen hebben. Zo kan ieder van ons altijd eentje in het oog houden en hebben we voor elk kind een hand als we alleen op stap gaan. Ik zie nu veel meer gevaren, maar ik ben me daar ook van bewust. Ik wil niet betuttelen en weet dat ervaringen de beste leerschool zijn. Het is een blijvende evenwichtsoefening: ik wil hen voldoende vrijheid geven, maar ik wil vooraf ook genoeg kunnen ‘schaduwen’. Willen ze alleen naar de bakker? Dan ga ik eerst een paar keer mee. Het eerste weekendje weg met de scouts van mijn zoon was voor mij een grote stap.

Wat Casper overkwam maakt me kwetsbaarder, maar tegelijk ook sterker. Ik pak de dagen graag zoals ze komen en beleef ze heel intens. Zo vierden m’n man Sam en ik onlangs onze veertigste verjaardag een heel weekend lang in een huisje dat heel toevallig de naam ‘Samuus’ draagt. In die twee dagen zijn wel 150 mensen gepasseerd om samen met ons het leven bij de kraag te vatten. Je zou kunnen zeggen dat het ons belachelijk veel geld heeft gekost, maar het leven vieren is ons minstens zoveel waard.

‘In al wat broos is schuilt veel kracht,’ dat hebben het leven en het boek dat ik erover schreef me geleerd. Ik leg op elke pagina een groot stuk van mezelf bloot, maar dat maakt me niet onzeker. Omdat ik weet: het is mijn verhaal zoals alleen ik dat kan schrijven. In mijn job, als psychiater, vraag ik aan anderen om zich kwetsbaar op te stellen door hun verhaal te doen. dus waarom zou ik het zelf niet illustreren? Practice what you preach, zoiets.

De reacties zijn overweldigend mooi. Zo maakte de dochter van een vriendin een kijkdoos van het boek met bergen, rivieren en het tentje van Casper. En krijg ik nog dagelijks de warmste mails en sms’jes van bekenden en onbekenden. Een vriendin van Casper reageerde: ‘Ik zat naast hem in de klas op de middelbare school. Ik ben een van die stille getuigen, zo iemand die altijd heel erg heeft meegeleefd, maar die de woorden maar niet vond.’ Ze haalde herinneringen aan hem op en vertelde ook hoe ze hem later tegen het lijf liep op de Gentse Feesten. Ze schreef dat hij er zo gelukkig uitzag. Wel, die woorden zijn voor mij goud waard. Ook voor mijn ouders en mijn zussen. Die zin zegt alles en is op een bepaalde manier heel geruststellend en troostend. Mijn boek is nu al meer dan de moeite waard geweest.”

Uus’ boek, ‘Waar ben je, lieve broer’, uitgegeven door Borgerhoff & Lamberigts, € 22,99.

‘Forever Young’

In het nieuwe VIER-programma ‘Forever Young’ reist Frances Lefebure jongeren achterna die door een ongeluk, plotse ziekte of dramatische wending van het lot ook nooit meer terug naar huis keerden. Samen met hun familie of vrienden maakt ze die noodlottige laatste reis opnieuw, en onderweg houden ze de warme herinneringen aan hen springlevend.

Uit: Libelle 7/2019 – Tekst: Mélanie Goethals – Coverbeeld: Getty Images

Meer pakkende verhalen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)