Mijn verhaal: Pacha vluchtte anderhalf jaar geleden uit Afghanistan

Mijn verhaal: Pacha vluchtte anderhalf jaar geleden uit Afghanistan

Pacha (29): “11 december 2015. Ik zie mezelf nog zitten,op het commissariaat van Brussel. Drie dagen sliep ik daar tussen andere vluchtelingen, niet wetend wat me te wachten stond. Waar ging ik heen? Wie zou me helpen? Die onzekerheid en die angst zouden de rode draad doorheen mijn leven in België worden. Uiteindelijk werd ik naar het noodopvangcentrum Fort Sint-Marie in Zwijndrecht doorverwezen. Meer dan tweehonderd
mensen kregen er onderdak, eten en rust. Nu ja, rust… We sliepen met tien mensen op één kamer. Syriërs, Albanezen, Irakezen… we waren allemaal anders, maar hadden één ding gemeen: we waren gevlucht uit ons land en hadden onze familie achtergelaten.

Waarom ik moest vluchten? Het was een heel gewone vrijdag. Ik had samen met enkele vrienden cricket gespeeld op het veld in ons dorp. Nietsvermoedend ging ik ’s avonds naar huis, waar ik samen met mijn vader een supermarkt openhield. ‘Je moet meteen weg, de taliban zoekt je en wil je vermoorden’, zei mijn vader. Er was een aanslag verijdeld op de brug vlak bij ons huis en ze verdachten mij ervan een verklikker te zijn. ‘Pacha spreekt elf talen en praat in de winkel vaak met Amerikaanse soldaten en andere buitenlanders. Wie anders zou ons verraden hebben?’ klonk het. Mijn vader betaalde achtduizend dollar aan smokkelaars om mij zo snel mogelijk het land uit te krijgen. Een week later vertrok ik, zonder mijn zwangere vrouw, zonder mijn drie kinderen, zonder mijn ouders. Bijna twee maanden later kwam ik in België toe.

“Ik droom nu al van de dag dat mijn vrouw en mijn vier kinderen naar België komen. Hier zijn ze veilig”

Al vanaf dag één wist ik dat mijn toekomst hier ligt. Ook al betekende dat dat ik van nul moest beginnen. Ik wist dat het niet makkelijk zou worden: ik sprak de taal niet, kende de cultuur niet, ik wist niets. Na twee weken in het centrum begonnen de Nederlandse lessen. Ik trommelde zoveel mogelijk mensen op om met me mee te gaan, gewoon omdat het zó belangrijk voor mij was. De taal leren was noodzakelijk om in België gelukkig te kunnen worden, dat besefte ik maar al te goed. Dus leerde ik beetje bij beetje Nederlands. Het is daar dat mijn Belgische leven pas echt begon. En daarbij kreeg ik hulp van leerkracht Griet én haar kinderen. Na elke Nederlandse les bleef ik nog wat hangen om een babbeltje te slaan met haar. Ze werd mijn tweede mama…

Een paar maanden later wilde ik weg uit het centrum, want als ik daar bleef, had ik geen vooruitzichten. Ik regelde een werkvergunning en samen met Griet ging ik op zoek naar een job. Die vond ik in een mestverwerkingsbedrijf in de buurt. Ik kreeg er een kleine container om in te wonen. Het was niet de meest aangename job, maar ik verdiende wat geld én ik had niet langer het gevoel dat ik stilstond in het leven. Mijn loon stuurde ik naar mijn vrouw, mijn kindjes, mijn ouders, die nog steeds in oorlogsgebied zaten. Dat maakte het extra moeilijk voor mij. Zeker toen mijn vrouw van ons vierde kindje beviel. Wat had ik hen alle twee graag in mijn armen genomen.

Na het werk ging ik regelmatig langs bij Griet. Zij en haar twee kinderen sleurden me elke keer weer door die moeilijke periodes. Zonder hen had ik het waarschijnlijk niet gered. Ze luisterden naar de verhalen over mijn thuisland en vertelden mij over dat van hen. Want België en Afghanistan, het zijn twee verschillende werelden. Hier is veel meer vrijheid: zo word je bijvoorbeeld als vrouw niet nagekeken als je met de fiets rijdt, en in de zomer loopt iedereen met blote benen rond. Toen mama Griet me die eerste zomer een short gaf, keek ik vreemd op. In Afghanistan is iedereen altijd helemaal bedekt. Maar natuurlijk zijn er ook gelijkenissen tussen ons. Want net als in mijn land is ook hier familie ontzettend belangrijk.

Beetje bij beetje vond ik hier mijn draai. En ook al mis ik mijn land en mijn familie, toch voel ik me nu, na anderhalf jaar, geen vreemdeling meer. Nog steeds ga ik elke maandagavond naar de taalles. Ik praat intussen al een aardig mondje Nederlands. En ik werk nu ook in een ander bedrijf, waar ik me goed voel. Het is elke dag afwachten of ze me daar nodig hebben, maar elke cent is meer dan welkom. Toch zal ik me pas echt helemaal Belg voelen als mijn papieren in orde zijn. Mijn eerste aanvraag werd afgewezen, maar ik blijf hopen. Zodra die goedgekeurd wordt, kan ik op zoek naar een eigen stek. Ik ben de vrienden van mama Griet, waar ik nu tijdelijk woon, ontzettend dankbaar, maar op eigen benen staan, dat zou pas geweldig zijn. Ik droom nu al van de dag waarop mijn vrouw en vier kinderen naar België komen en ze hun nieuwe oma, tante en nonkel kunnen ontmoeten en vooral dat ze veilig zullen zijn.”

Meer verhalen:

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)