Kinderen en hun fantasiewereld

Door De Redactie
Kinderen leven vaak in hun eigen fantasiewereld waarin ze met denkbeeldige vriendjes spelen of de gekste avonturen beleven. Maar in hun fantasie worden ze ook soms geconfronteerd met enge monsters. Naar aanleiding van de dvd-release Where the Wild Things Are stelden we enkele vragen aan kinderpsychologe Stephanie Goossens omtrent de levendige fantasie bij kinderen.

Is het hebben van een denkbeeldig vriendje schadelijk voor het “sociale” leven? Maken kinderen daardoor moeilijker “echte” vriendjes?

Het hebben van een denkbeeldig vriendje en het experimenteren met eigen fantasie, is goed voor de geestelijke ontwikkeling van het kind. Het ‘doen alsof’ spel vergt dat kinderen het verschil vatten tussen realiteit en fantasie en dat ze erkennen, dat ook de ander dit onderscheid kan en zal maken. Het biedt het kind de mogelijkheid even weg te dromen en de wereld naar de eigen hand te zetten. Voor een kind, dat moet leren omgaan met de regels van het dagelijks leven en van sociale contacten, kan het heerlijk zijn de situatie even te controleren. Een denkbeeldig vriendje doet altijd wat je wilt, het geeft een gevoel van macht en eigenwaarde of kan je bemoederen of de opmerkingen terug spelen die je van je ouders zelf gekregen hebt.

Het hebben van een denkbeeldige vriend kan verschillende functies hebben. Van een leuk fantasiespel, vaak ook een veilige manier om te oefenen in het sociaal contact. Soms biedt het vriendje ook een troostende functie. In angstige of spannende periodes kunnen kinderen op zoek zijn naar wat houvast. Het denkbeeldig vriendje is steeds en overal als steun op te roepen voor het kind en geeft het kind het gevoel samen sterk te staan. Deze oplossing blijkt een betere aanpak dan wanneer het kind zich vastklampt aan de ouders. Het gaat in dit geval wel om angsten die eigenlijk niet nodig zijn. Wanneer het kind geconfronteerd wordt met reëel angstige situaties kan ook de denkbeeldige vriend geen uitkomst brengen.

Jonge kinderen beseffen op een gegeven moment dat ze dingen doen die de ouders niet willen. Het kind heeft er nog moeite mee controle te houden over de eigen impulsen, maar wil ook heel erg graag geliefd worden door de ouders. De schuld op een denkbeeldig vriendje afschuiven is dan de naïeve oplossing. Het kind geeft hiermee ook aan wel te beseffen wat ongewenst gedrag is. Het is de eerste stap naar controle over de eigen impulsen. Wanneer het denkbeeldige vriendje verdwijnt is dit het signaal dat het kind de eigen fouten inziet en ook van zichzelf kan accepteren zonder angst de liefde van de ouders kwijt te raken. De meeste denkbeeldige vriendjes verdwijnen vanzelf weer, soms geleidelijk, soms net zo plotseling als ze gekomen zijn. Zolang het kind ook normale vriendschappen kan aangaan is er geen reden voor zorgen. Het is dan enkel een spel of een manier om te gaan met een moeilijke periode.

Stimuleer je kinderen in hun fantasie door hen fantasievolle films te laten bekijken of door hen fantasievolle boeken voor te lezen? Of rem je die fantasie dan beter wat af?

Bij het voorlezen van boeken, zeker bij prentenboeken, wordt er verbinding gemaakt tussen woord en beeld. Een link tussen woorden, die staan voor de wereld van de realiteit en beelden die de wereld van de fantasie vertegenwoordigen. Hiermee sluiten ze aan bij de ontwikkeling van de kleuter, waarin zowel de wereld van de fantasie als van de realiteit aanwezig is. Via (prenten) boeken, films wordt de interne fantasiewereld van kinderen erkend en gestalte gegeven.

In het boek “Max en de maximonsters” (Sendak, 2001) waarop de film “Where the wild things are” gebaseerd is, wordt tegelijkertijd de nood aan fantasie erkend en beweegt men zich in de richting van aanpassing in de realiteit. Max haalt kattekwaad uit en wordt door moeder naar zijn kamer gestuurd. In zijn kamer neemt zijn fantasie het over van de realiteit. Zijn boosaardige fantasieën nemen ‘bijna echte’ vormen aan en worden monsters. Max reist naar de wereld van de monsters en wordt er hun koning. Maar overmand door eenzaamheid en opnieuw verlangend naar zijn moeder vaart hij uiteindelijk vanuit zijn fantasiewereld terug naar de realiteit van zijn eigen kamer.

Door een boek voor te lezen of een film samen te bekijken, krijgt het kind een aanbod om in een (fantasie) verhaal te stappen. Het gaat op een verre reis, ontmoet lieve prinsen, boze stiefmoeders, gruwelijke draken en dappere helden. Er is plezier, wensen worden vervuld, maar ook dreiging en spanning, angst en agressie. Het verhaal wordt gestart en ook afgerond. Er is duidelijk een begin en een einde en daardoor is het mogelijk om de spanning te verdragen (en het bij een volgende keer  zelfs wéér opnieuw te kiezen). Na het instappen in de fantasie is er weer de realiteit van slapen-spelen-eten.

Door mee te stappen in de aanwezige fantasie van kinderen (met leeftijdsadequate boeken en of films), kunnen kinderen zich levendig identificeren met elementen uit het verhaal. De tocht in een fantasieverhaal kan soms beangstigend, plezierig, grappig , spannend of verrassend zijn. Door het samen bekijken van een film of voor te lezen, wordt deze tocht niet alleen gemaakt. Het gebeurt in aanwezigheid van een volwassene, die de intense en emotionele ervaring mee – maakt en mee draagt. Deze tochten in de wereld van fantasie van kinderen, zijn ongetwijfeld belangrijke momenten in de ontwikkeling van een kind én intens ‘gedeeld’ momenten tussen ouder en kind.

Gebaseerd op en indien je meer wil lezen:
Nicole Vliegen en Lieve Van Lier (red.) (2007). Een spel voor twee spelers. Spel en speelsheid in psychoanalytische psychotherapie. Hfdst 5. Van Lier L. “Een spel met woord en beeld. Prentenboeken en kinderen in ontwikkeling. ?Acco Leuven / Voorburg

Denk je dat kinderen beschermd moeten worden van een al te droevige, duistere fantasiewereld? Of net niet?

Boeken en films kunnen angst, fantasieën, vijandigheid ontlokken. Sommige kinderen kunnen zich levendig verplaatsen in de situaties of belevingswereld van bepaalde personages. Zeker bij meer confronterende verhalen worden sterke gevoelens opgeroepen bij kinderen en zullen ze daar op verschillende manieren uiting aan geven. Ze worden boos, uitgelaten, verdrietig of zelfs angstig. Op deze momenten hebben kinderen iemand nodig die dit mee ‘draagt’. Meer dan door het boek of de film kan geboden worden. Een volwassen kan dit opvangen door (dicht) aanwezig te zijn, door op een bepaalde manier voor of samen te lezen,  door het uitleggen van woorden, op bepaalde details te wijzen of thema’s uit te werken of bepaalde woorden weg te laten.

M.a.w. als volwassene, als opvoeder zal je mee bepalen ‘hoe’ en ‘wat’ er op welke leeftijd wordt (voor) gelezen of gekeken naar verhalen. Hierbij spelen bij de volwassene de eigen emoties, gevoel voor humor, weerstanden de wijze waarop er voorgelezen wordt, welke verhalen (mogen) beluisterd en bekeken worden een belangrijke rol. Uiteindelijk is het niet de vraag of we kinderen moeten beschermen tegen duistere fantasieverhalen als wel of we als volwassenen de moed kunnen opbrengen om ook confronterende boeken en films mee te helpen dragen ?

Gebaseerd op en indien je meer wil lezen:
Nicole Vliegen en Lieve Van Lier (red.) (2007). Een spel voor twee spelers. Spel en speelsheid in psychoanalytische psychotherapie. Hfdst 5. Van Lier L. “Een spel met woord en beeld. Prentenboeken en kinderen in ontwikkeling. ?Acco Leuven / Voorburg

Waarom zijn kinderen zo bezig met spoken, monsters en andere rare wezentjes?
 
Om meer te weten waarom kinderen zo bezig zijn met monsters en spoken moeten we eerst een omweg maken naar waar we bang voor zijn in onze ontwikkeling.

Elk kind gaat door verschillende angstfasen. Als een baby de wereld rondom zich begint te ontdekken, dan kan hij schrikken hij van het onbekende (vreemde gezichten bv). Als een kind fantasie ontwikkelt, ontstaan er vaak monsters en spoken. Vooral kinderen tussen 2 en 4 jaar hebben een rijke fantasie. In het duister veranderen alledaagse zaken plots in iets angstaanjagends. Ze zien bijvoorbeeld bewegende gordijnen veranderen in spoken. Of ze zijn er van overtuigd dat er een monster of een spook onder hun bed zit. Kinderen zijn op die leeftijd ook gek op sprookjes en verhaaltjes (die aan sluit op de eigen fantasie). Ze voegen vaak nog verhaaltjes aan toe. Het komt voor dat fantasie en werkelijkheid zich met elkaar vermengen. Ze kunnen die twee immers moeilijk van elkaar onderscheiden. Deze fantasieën kunnen je kind dan ook erg bang maken en hun verhalen kunnen alsmaar enger worden. Ze kunnen je kind meevoeren en overrompelen. Op deze leeftijd is het belangrijk dat de ouders de fantasie helpen een plaats te geven en hun kind terugbrengen naar de realiteit.

Met de fantasie ontstaan er niet alleen monsters en spoken maar biedt dit tevens mogelijkheden om er mee om te gaan.?Door de fantasie van het kind te gebruiken kan angst soms ook overwonnen worden. Een beer kan het kind beschermen , een liedje kan het kind helpen wanneer het bang is. En zo kan het kind zelf zijn angst overwinnen. Maar goede uitleg aan het kind geven, wanneer het ergens bang voor is kan soms ook uitkomst brengen (de fantasie van het kind kan de angst doen toenemen).

Een puber vraagt zich vooral af wat anderen van hem vinden en hoe het zit met de veranderingen in zijn eigen lichaam. Dat een kind van drie bang is voor monsters, is heel normaal. Een twaalfjarige die niet durft gaan slapen, heeft een probleem.

M.a.w. kinderen worden op verschillende leeftijden ‘aangesproken’ door monsters en spoken o.a. doordat het reeds op jonge leeftijd in de fantasie aanwezig is. Vaak is het spannend en aantrekkelijk. Te vaak hier mee bezig zijn kan overspoelend zijn en te beangstigend. Over  het algemeen kunnen we zeggen dat iedereen bang is voor het onbekende. Angst is gezond. Angst beschermt ons. Als er een kwade hond voor je staat, denk je best niet te lang na. Bij oversteken van een drukke straat, is het goed dat je wat bang bent (overlevingsangst) Sommige angsten zijn aangeleerd. Angst voor spinnen bijvoorbeeld, hoewel dit geen gevaar betekent. Toch griezelen velen als ze het beest zien. De meeste angsten kun je onder controle krijgen, of afleren. Met angsten leren omgaan is een deel van het opgroeien. Angst wordt pas een probleem als het de normale gang van zaken begint te beïnvloeden. Dan kan het ook een signaal zijn van andere problemen. Thuis of op school.

Meer info over Where The Wild Things Are:  http://wherethewildthingsare.warnerbros.com/

 

Partner Content