Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Column Marcel: Over de uren die tegenwoordig minuten lijken

Door De Redactie

Ze zeiden het wel, de mensen die kinderen hadden voordat ik een kind had, maar ik geloofde het niet echt. Dat het zo snel gaat, het opgroeien van een kind, dat zeiden ze en ik dacht: ach, waarom zou de tijd ineens sneller gaan als je een kind hebt. Dat is een redelijk aanmatigende gedachte, nietwaar, dat een kind, jouw kind, de tijd kan versnellen. Alsof het een soort wonder is, die kleine.

Toch is het waar. Niet dat Sammie een wonder is, zover wil ik niet gaan, maar sinds ze er is, lijkt de tijd meer haast te hebben. De klok jaagt door uren van de dag en aan het eind ervan kan ik bijna niet geloven dat hij alweer voorbij is. Met name op de dagen dat Carlijn werkt en ik Sammie voor mezelf heb is dat het geval. Ik maak haar wakker, ’s ochtends rond kwart voor acht – ja echt, wat dat betreft is ze wél een wonder – we eten pap, we praten wat, ik kleed haar aan, we doen boodschappen, we eten een broodje, we drinken wat water, ze doet een middagdutje, we gaan naar het park, ik maak haar avondeten en hoppa, de dag is voorbij. Er zitten nog steeds evenveel uren in, maar die uren lijken minuten.

”Ik wilde het eerst niet geloven, dat de tijd twee keer zo snel gaat met een kind. Maar het is waar, echt”

Tijd vliegt als je het naar je zin hebt, ik weet het, maar het heeft ook zijn nadelen. Doordat de dagen zo rap gaan, heb ik amper tijd om de licht huishoudelijke taken die ik op mijn Sammie-dagen op mij neem uit te voeren. Want Sammie vraagt aandacht en vindt het reuze-ongezellig als ik midden op de dag ga stofzuigen. Eten koken, prima, maar wel graag als zij even haar middagdutje doet, want er moet gepuzzeld en voorgelezen worden, papa, alsjeblieft.

Voor ik weet staat Carlijn weer op de stoep na haar werkdag en zeker nu het weer langer licht blijft ben ik daardoor soms totaal verrast. Is het al zó laat? ‘Ja,’ zegt Carlijn dan, terwijl ze een beetje chagrijnig naar de grond staart en ziet dat de stofnesten van vanochtend nog altijd op hun plek liggen, ‘het is al zó laat.’ Daarna, na het eten, als Sammie in bed ligt, stort ik riant in, nog altijd verbaasd over hoe snel de dag ging. En over hoe vermoeid ik van die dag ben. Begrijp me niet verkeerd: er is niks mooiers dan met je dochter over de markt struinen, op zoek naar een gratis krentenbolletje of een plakje worst. Samen naar de speeltuin, samen een ijsje eten, samen puzzelen en lezen en tekenen en brabbelen; het is geweldig. Het is reuzefijn. Maar het is ook dood- en doodvermoeiend – op een zalige manier, maar toch.

En dan hebben Carlijn en ik er nog maar eentje. Mijn moeder was er verantwoordelijk voor drie. Mijn vader werkte fulltime, mijn moeder was huisvrouw, zoals dat heette. Drie. En ze vond het geweldig. Natuurlijk was het vermoeiend, zegt ze, natuurlijk wilde ze ons ook weleens achter het behang plakken. Maar, zegt ze dan: het is voorbij voordat je het weet. ‘Het gaat zo snel,’ zegt ze, elke keer als ik weer eens zeur over dat ik moe ben, ‘je moet ervan genieten.’ Ze is negenenzestig nu, zegt ze dan, maar ze zou niets liever willen dan het nog een keer te doen. En ze is dankbaar en blij dat ze het al die jaren heeft mogen doen, want het zijn de mooiste herinneringen van haar leven.
Ze heeft gelijk. Het is hard werken, maar het gaat zo verschrikkelijk snel voorbij, dus beter geniet ik van elke minuut. Want die minuten gaan twee keer zo snel met een kind.