Openhartig over adoptie: “Na jarenlang vechten plots dat bericht: er is een kindje voor jullie”

Openhartig over adoptie: "Na jarenlang vechten plots dat bericht: er is een kindje voor jullie"

Toen bleek dat ze geen eigen kind konden krijgen, stortte de wereld van Heidje en haar man in. Tot Milo en Aciela via adoptie in hun leven kwamen.

Prille kinderwens

Heidje: “De vonk tussen mijn man en mij sloeg over op de dansvloer van de Antilliaanse feesten. Een symbolische avond voor de rest van ons leven: wij zouden samen dansend door het leven gaan. Alles klopte. Niets zat ons tegen. En we deelden ook zoveel: allebei druk bezig met de carrière, maar ook geboren bon vivants die genoten van hun vrijheid. Want aan kinderen dachten we toen niet. Ik heb twee veel jongere broers die ik mee heb opgevoed. Ik had het wel gehad met kinderen. En ook Olivier had niet meteen een grote kinderwens. We hadden het goed samen. Een kind zou niets aan onze relatie toevoegen. Dat dachten we twee jaar lang. Tot onze vrienden één voor één mama en papa werden en we de ene materniteit na de andere bezochten. ‘Wat als?’, was de vraag die ook wij onszelf uiteindelijk stelden. Een kindje van ons beiden, zou dat niet fijn zijn? Waarom proberen we het gewoon niet? En als het ons niet lukt, dan is dat maar zo. Ook zonder kind zouden we perfect gelukkig zijn.

Verborgen verdriet

Dus begonnen we heel relaxed aan het kinderverhaal. Een jaar lang probeerden we om zwanger te worden. Het lukte niet. Maar we maakten ons geen zorgen. Zoveel koppels worden niet meteen zwanger. We waren heus niet de enige. Omdat het ongetwijfeld maar om iets kleins ging dat perfect kon opgelost worden, stapten we naar de gynaecoloog. Hij gaf ons een vruchtbaarheidskalender en een lichte hormoonpil mee. Vrijen op commando, dat was de boodschap. En in het begin was dat nog wel grappig. Als het moment er was, haastten we ons allebei naar huis en doken we de slaapkamer in. Maar na een tijd betekende vrijen vooral stress. Telkens weer zonder resultaat.

Na enkele maanden tevergeefs proberen kwam dan toch die eerste angst. Waarom lukte het ons niet? Misschien waren we niet bij de juiste dokter terechtgekomen? Dus maakten we een afspraak bij een gerenommeerde fertiliteitsarts. Ik werd volledig binnenstebuiten gekeerd. En ook het sperma van Olivier werd onder de loep genomen. Alles bleek perfect. Ook de arts stond voor een raadsel. Hij stelde kunstmatige inseminatie voor. Zes pogingen. Om dan over te gaan op ivf. Ook zes keer. Maar telkens weer werd het niets.

Zowel lichamelijk als geestelijk werd ik een andere vrouw. Dit was zo ingrijpend. Ook onze relatie veranderde compleet. Omdat we niemand iets over de behandelingen wilden vertellen, werd onze wereld op den duur zo klein dat we enkel nog met z’n tweeën overbleven. Ook wij praatten steeds minder met elkaar. Als ik Olivier toen had verteld dat alles zo pijnlijk en zwaar voor me was, had hij ongetwijfeld voorgesteld om ermee op te houden. En dat wilde ik niet. Dus stak ik mijn pijn en verdriet weg. En Olivier deed hetzelfde.

We zaten elk op een eiland met ons eigen verdriet. Machteloos. En met zoveel vragen. In onze leidinggevende jobs waren we het gewoon om dingen naar onze hand te kunnen zetten. En plots kon dat niet meer. We werden compleet afhankelijk van de medische wereld. Dit klopte niet in ons verhaal. En intussen bleven we maar baby’s bezoeken, pijnlijke opmerkingen incasseren (‘Wanneer beginnen jullie er eindelijk aan?’) en uitvluchten verzinnen (‘Er zijn al zoveel kinderen, waarom dan nog eentje van ons?’).

Mislukt als vrouw

Tien procent van de onvruchtbare koppels zijn onvruchtbaar omwille van onverklaarbare redenen. De oorzaak wordt nooit gevonden. Wij behoren duidelijk tot deze groep. Al die jaren van proberen, hopen en wachten, ze brachten ons niets op. We waren teleurgesteld in alles en iedereen. In de dokters. Ook al hadden ze alles gedaan hadden wat ze konden. In onze relatie. Waarom lukte het ons net niet? In mijn lichaam. Ik voelde me zo mislukt als vrouw. Mijn moeder had vier kinderen. Mijn schoonmoeder had vier kinderen. En ik kon er niet eentje op de wereld zetten.

Door het stoppen met proberen een kind te krijgen, zag onze toekomst er plots helemaal anders uit. Ons gezamenlijk doel viel weg. Hoe konden we weer zin aan onze relatie geven? Aan ons leven? Olivier en ik stortten ons weer volop in het werk. Harder dan ooit. Dat was onze trots. Werken, werken, werken. En proberen om al de rest te vergeten.
En toen kwam Olivier op een dag met de vraag of we niet eens aan adoptie moesten denken. Zomaar. Opeens. Ik wist niet wat ik hoorde. Wat een belachelijk idee. Akelig zelfs. Ongepast. Een verraad tegenover ons eigen kind dat er nooit zou komen.

‘No way,’ antwoordde ik bondig. Liever geen kind dan een vreemd kind. En daarmee was de kous af. Tot we op een dag bij goede vrienden op bezoek gingen. Vrienden die we wel in alle vertrouwen hadden verteld over onze mislukte zwangerschapspogingen en het verdriet daaromheen. Ze hadden het over een koppel dat ze op een feestje hadden ontmoet. Dat koppel had een kindje geadopteerd en vertelde zo enthousiast over hun zoontje. Onze vrienden duwden het papiertje met hun telefoonnummer letterlijk in onze handen. En uiteindelijk volgden we na lang aarzelen hun advies om met hen te gaan praten op. Enkele dagen later mochten we bij hen langsgaan. Het was op een vroege lente-avond.

Ik had een stel idealistische mensen verwacht. Een tikkeltje alternatief zelfs. Maar zo waren ze niet. Ook zij hadden allebei een verantwoordelijke job en werkten hard. Net als wij. Maar zij hadden wél een kind. Een jongetje van drie. Het allermooiste kind dat ik ooit gezien had. Ik was meteen verkocht. Niet alleen door dat jongetje maar vooral door de manier waarop de ouders met hun adoptiezoontje omgingen. Zo natuurlijk. Als een echt gezin. ‘We kunnen ons écht niet inbeelden dat wij een biologisch kind nog liever zouden zien dan hem’, zei de vader toen we afscheid namen. Dit kwam zo recht uit het hart. Een zin die ik nooit meer zal vergeten. Toen we nadien met z’n tweeën iets gingen eten, zeiden we bijna gelijktijdig: ‘Misschien moeten we dat ook eens proberen, zo’n adoptie.’ Het idee liet ons niet meer los. Voor het eerst in jaren hadden we hoop. Eindelijk was er weer licht aan het einde van de tunnel.

Ons lot in andermans handen

Zo snel mogelijk meldden we ons aan bij Kind & Gezin. Ze stuurden ons het inschrijvingsformulier op. En een uitnodiging voor de adoptiecursus. Een bizar idee. Waarom moesten wij op cursus? Hadden we dan al niet bewezen dat we voldoende gemotiveerd waren om ouders te worden? Ook het feit dat we ons levensverhaal moesten neerschrijven, gaf ons een onbehaaglijk gevoel. Wat mochten we schrijven? Wat beter niet? Waar zouden ze ons op taxeren? De angst om iets verkeerd te zeggen of doen, werd met de dag groter. Pas enkele maanden later startte de cursus. Het begin van een lang traject. En toch besloten we ook dan om niets aan vrienden en familie te vertellen. We zouden zwijgen zolang niets concreet was.

Na de cursus kregen we het certificaat dat we moesten voorleggen om aan de psychologische testen te mogen beginnen. Er werd een psychologe en maatschappelijk assistente aangeduid om ons te onderzoeken. Hoe zelfzeker we ook in onze jobs waren, zo onzeker werden we naarmate deze ontmoeting naderde. Terecht, zo bleek later. Het werden niet de meest hartelijke gesprekken. Onze toekomst hing af van hun oordeel, ons lot lag in hun handen en dat bezorgde ons veel stress. Vragen werd afgevuurd, alles werd uit de kast gehaald om ons van onze melk te brengen. We voelden ons op den duur zó klein…Pas weken later was ons verslag klaar. Dit werd dan besproken met de rest van hun team. Mensen die ons nog nooit hadden gezien, moesten ons goed- of afkeuren, dat is hard. Je voelt je er machteloos onder.

Pas toen het verslag in de bus viel en ons duidelijk werd dat we een beginseltoestemming of een positief advies hadden gekregen, konden we weer even opgelucht ademhalen. We waren geslaagd! Eindelijk werd onze grote droom tastbaar. Ons gevecht van jaren was niet nutteloos geweest. En niets of niemand hield ons nog tegen om dat grote nieuws dan toch te delen met iedereen die ons lief was. We wilden onze vijfde huwelijksverjaardag vieren op dezelfde locatie van toen. Het perfecte moment om tegenover vrienden en familie open kaart te spelen. In een emotionele speech vertelde ik over de afgelopen jaren. Over de lange medische weg die we afgelegd hadden om ouders te worden. Over het feit dat een biologisch kind er nooit zou komen. Over de optie tussen kinderloos blijven of een andere keuze maken. En over onze adoptieplannen. Door mijn tranen heen zag ik de mensen om me heen meehuilen. En plots klonk er een oorverdovend applaus. Een onvergetelijk moment. Iedereen was zo gelukkig voor ons. Het verdere traject zouden we samen met hen afleggen. Geen stiekem gedoe meer. Ik voelde me zo opgelucht.

“Na drie weken kregen we Milo mee naar huis. Het verdriet, de spanning, ons jarenlange gevecht: het was eindelijk voorbij”

Geen klik, geen liefde

We klopten bij verschillende adoptiediensten aan. Telkens weer belandden we op een dood spoor. Tot als bij wonder Kazachstan uit de lucht kwam vallen dankzij twee vrouwen die er al jaren hulp boden aan weeshuizen. Ze hadden zelf ook Kazachse adoptiekindjes en kenden er de instanties. Kazachstan werd het land van de laatste hoop. En toch werd ook dan ons geduld op de proef gesteld. Pas anderhalf jaar na onze inschrijving bij Kind & Gezin kregen we op een dag een foto van een jongetje dat in een Kazachs weeshuis verbleef. Zeven maanden oud was hij.

Olivier was meteen enthousiast. Ik een pak minder. Het jongetje was mager. Bleek. En allesbehalve een blakende baby. Na al die jaren had ik me een beeld gevormd van hoe mijn baby’tje eruit zou zien. Het jongetje beantwoordde daar totaal niet aan. Maar het enthousiasme van Olivier trok me uiteindelijk toch over de streep. We maakten ons dossier op dat naar Kazachstan werd opgestuurd.

Pas weken later, kregen we groen licht. We mochten vertrekken naar onze zoon. Met duizend en één vragen in ons hoofd. En twijfel, vooral dan bij mij. Wat als ik niet van dat jongetje zal kunnen houden? ‘Maak je daar maar geen zorgen over’, probeerden andere adoptie-ouders me gerust te stellen. ‘Ze mogen honderd kinderen naast elkaar zetten. Je zal jouw kind er onmiddellijk uitpikken en ook meteen graag zien. Een wonderbaarlijke klik. Een ongelofelijk gevoel.’

Maar toen ze me dat baby’tje in mijn armen duwden, was er geen sprake van die klik. Ik kon me niet inbeelden dat ik dat jongetje ooit graag zou zien. Er was absoluut geen sprake van die allesoverheersende liefde. Ik probeerde geluk uit te stralen, maar voelde me verschrikkelijk. Almat – zo heette hij toen, nu heet hij Milo – keek me aan met grote ogen. Dwars door me heen. Alsof hij voelde dat er iets niet klopte. Hij had ook allerlei lichamelijke letsels. Een afgeplat achterhoofdje. Een enorme zwelling in zijn onderbuik. En overal blauwe plekken. Ik zag Olivier wél vertederd kijken. Hij was wél meteen verknocht aan dat jongetje.

En dat maakte het voor mij nog moeilijker. Waarom lukte het mij niet? Ik voelde me zo slecht toen we na dat eerste bezoek in het hotel aankwamen. Ik deed geen oog dicht. Ik hoopte dat het de dag erna beter zou gaan, maar ook dan kwam de klik niet. Pas de derde dag ging het ietsje beter. Milo en ik begonnen aan elkaar te wennen. En op de vierde dag stak hij zijn armpjes naar ons uit toen hij ons zag. We gaven hem een fruitpapje dat we stiekem in het weeshuis hadden binnengesmokkeld. Hij genoot er zo van en bekeek ons met een gelukzalige blik in zijn oogjes. Ik begon hem schattig en lief te vinden. En toch bleef ik denken: dit is niet genoeg. Wanneer zou die onvoorwaardelijke liefde me overvallen?

“Toen ze me dat baby’tje in mijn armen duwden, was er geen sprake van een klik. Ik kon me niet inbeelden dat ik dat jongetje ooit graag zou zien”

Het mooiste geschenk

En toen gingen we na enkele dagen iets eten bij een Kazachse familie die we intussen hadden leren kennen. Toen we na de maaltijd terug naar huis reden, zei ik voor het eerst: ‘Ik heb Milo gemist.’ Olivier voelde net hetzelfde. De volgende ochtend kon ik niet snel genoeg in het weeshuis zijn. De klik was er. Ik verlangde naar mijn zoon. Met elke vezel in mijn lijf. We waren allebei verkocht. En het liefste vertrokken we nog die dag met hem naar België. Maar dat kon niet. Eerst moest de Kazachse rechtbank nog beslissen of Milo definitief naar België mee mocht. Pas drie weken later was het eindelijk zover. We haalden Milo op. Hij klampte zich stevig aan me vast, niet goed wetend wat er gebeurde. En ik kon maar niet stoppen met huilen. Ons gevecht van jaren, de spanning, het verdriet. Alles was voorbij. We hadden een zoon. Het mooiste geschenk dat we ooit hadden kunnen krijgen.

Eindelijk thuis

Toen we op Zaventem aankwamen en de aankomsthal binnenliepen, stond er een gigantische delegatie op ons te wachten. Ze applaudisseerden toen ze ons zagen. Ik zag mijn mama als eerste. Ze trilde over haar hele lichaam. Ik overhandigde haar Milo. Haar kleinzoon. Ze bedolf hem vanaf die eerste ontmoeting onder haar liefde. Zo mooi om te zien. Eindelijk waren we thuis. En kon het leven met ons drieën beginnen. Milo bleek al snel een erg leergierig kind. Hij paste zich zo snel aan. We waren zo trots op dat mannetje.

Onze familie omringde ons met alle liefde die ze in zich hadden. Zo ook mijn mama. Telkens Milo haar zag, begon hij te glunderen. Milo en mijn mama, het werd een hecht team. Maar niet voor lang. Een jaar later werd ze ziek. Borstkanker, uitgezaaid in lever en bot. Nog een jaar later moesten we afscheid van haar nemen. Ik mis haar verschrikkelijk, maar op een vreemde manier voel ik me sinds haar dood nog meer verwant met Milo. Nu zijn we allebei weeskinderen. Mijn papa was namelijk al een tijdje gestorven.

Toch een tweede?

Als je ouders verdwijnen, verdwijnt er veel: je oorspronkelijke gezin, je cocon van toen. Maar vooral heel veel herinneringen. Mijn broers en ik deelden diezelfde roots. Na de dood van mijn mama besefte ik dat des te meer. Ik was zo blij dat ze er waren en we dat verdriet samen konden delen. Milo was enig kind. Stel dat wij er op een dag niet meer zijn… Dan moest hij alleen verder. Die gedachte leek ons ondraaglijk. Ook hij had recht op een broer of zus. Bovendien hadden we in het weeshuis van Milo zoveel kinderen gezien die nooit in een gezin zouden terechtkomen. We hadden de mogelijkheden, zowel financieel als emotioneel, om nog een kindje te adopteren.

Wat hield ons tegen? Dus meldden we ons opnieuw bij Kind en Gezin aan. Een tweede kindje uit Kazachstan, daar zouden we voor gaan. Zo zouden onze kinderen dezelfde roots hebben. We hadden al een keer geadopteerd. Het zou nu vast veel sneller gaan, dachten we. Niet dus. Dit was buiten de overheid gerekend. Opnieuw moesten we door die mallemolen van papieren, psychologische testen en omwille van een nieuwe adoptiewet zelfs voor de jeugdrechtbank verschijnen. De maanden verstreken. Gelukkig was Milo er. Hij verzachtte heel veel.

Ruim twee jaar nadat we ons voor de tweede keer hadden ingeschreven bij Kind en Gezin kregen we goed nieuws. Milo zou een zusje krijgen. Met z’n drieën reisden we naar Kazachstan. Bij aankomst vertelden ze ons dat het meisje dat we konden adopteren heel erg klein en veel te mager was. Dat ze nauwelijks at en continu ziek was. Compleet verzwakt dus. Er waren al verschillende adoptiekandidaten, maar niemand durfde het risico te nemen om haar daadwerkelijk te adopteren. Het was alsof de hemel boven op ons hoofd viel. Ik zie ons nog zitten op dat bankje in het weeshuis, badend in het zweet. Plots zwaaide de deur open en werd een klein meisje binnengebracht. Wij zaten als versteend, maar Milo liep meteen naar haar toe en sloeg zijn armpjes om haar heen. ‘So, you want to adopt her?’ vroeg de directrice van het weeshuis ons. Wij moesten niet meer nadenken. Aciela, zo heette ze, had ons alle drie op slag betoverd.

Volop genieten

En zo kwamen we na twee lange maanden in het ijskoude Kazachstan met ons tweede kindje thuis. Eindelijk waren we compleet. Eindelijk ook verlost van alle adoptierompslomp. Ruim vijf jaar zaten we in een soort web van hogerhand. Anderen bepaalden ons leven. En dat kostte ons zoveel energie. De kilheid en gevoelloosheid van de bureaucratie was voorgoed verleden tijd. Eindelijk konden we genieten van de warme cocon van ons gezin. Een onbeschrijflijk gevoel.

‘Wat als ze ooit terug willen?’ Die vraag krijgen we zo vaak te horen. ‘Dan gaan we mee!’ is steevast onze reactie. We zullen de kinderen nooit tegenhouden. Waarom ook? Bang dat ze daar zullen blijven? Milo was zes toen ik hem vertelde over een zwangere mama van één van zijn vriendjes. Er zou een kindje uit haar buik komen, zei ik hem. ‘Niet zoals jij, want jij komt niet uit mijn buik.’ Waarom hij antwoordde: ‘Tja, mama, de mama’s en papa’s die niet naar Kazachstan kunnen gaan, die moeten dan maar een baby uit hun buik laten komen, hé.’ Hij vertelde dit met zo’n vanzelfsprekendheid.

“Ik zou het fijn vinden om hun ouders te ontmoeten. En hen te bedanken dat we hun kinderen mogen opvoeden. En zomaar van hen mogen houden”

Milo en Aciela zijn kinderen van hier geworden. Dat zien en voelen we aan alles. En als ze naar hun geboorteland willen, dan gaan we gewoon samen. Ook al weten we niet wie ze zijn en of ze nog leven, toch zou ik het fijn vinden om hun ouders te ontmoeten. En hen te bedanken dat we hun kinderen mogen opvoeden. En zomaar van hen mogen houden.
Milo en Aciela zijn nu vijftien en tien. Twee gelukkige kinderen met een enorm overlevingsinstinct. We hebben hard voor hen gevochten. Maar het was elke minuut meer dan waard. Maar goed dat het ons niet lukte om zwanger te worden, anders zouden we Milo en Aciela nooit in ons leven hebben gehad. Alleen al die gedachte bezorgt me rillingen. Ze zijn onze grootste rijkdom. Ons grootste geluk. Adoptie is dubbel geluk, zeg ik vaak. Je bent blij dat je een kind hebt. Je bent dubbel blij omdat je dat kind zomaar een nieuw leven kunt schenken.’

“Adoptie is dubbel geluk. Je bent blij dat je een kind hebt, én je bent blij dat je dat kind een nieuw leven geeft”

Heidje schreef een boek over de lange weg naar adoptie:

adoptie

‘Geen kind of een vreemd kind?’ van Heidje Martens, € 20, uitg. Beefcake Publishing (verkrijgbaar in de boekhandel). 

Beeld: Getty Images

Lees meer:

 

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)