Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Vijf dagen al heb ik niet gehuild. En ik voel me schuldig”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (35) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Onze columniste in het kort: Hannelore Bedert (35) is bij het grote publiek bekend als singer-songwriter, en auteur van ‘Lam’, waarmee ze de Bronzen Uil publieksprijs 2019 won. 

Bergop, bergaf

Vijf dagen al. Vijf lange, volle dagen heb ik niet gehuild. Geen tranenvloed, geen onverwachte huilbuien, geen knoop in mijn maag. En ik voel me schuldig. Alsof een mens eigenlijk maandenlang, al dan niet jaren, huilend op de grond moet liggen en slechts heel af en toe het hoofd mag rechten.

Tussen al het schuldgevoel door hoor ik Stijn zeggen dat het oké is. Dat zegt hij wel vaker dezer dagen: “Het is oké.” Zijn stem schalt niet door de kamer, zo wollig is het idee niet, maar ik hoor hem wel, ergens. Alsof hij vanop mijn schouder meekijkt en me af en toe een zetje geeft, een duw in de goeie richting.

Het schuldgevoel om de wegblijvende tranen neemt alles over, wringt mijn hoofd en vingers in een kramp. Schrijven lukt niet meer, dus druk ik op de pauzeknop en fiets de stad in, hoewel de grijze lucht weinig goeds voorspelt. Misschien helpt het als ik wat onder de mensen kom. Gewoon wat kijken naar ‘de anderen’. Zien of hun leven ook zo’n onverwachte wendingen neemt.

Na enkele straten fietsen begint het al te miezeren. Meteen trekt mijn maag samen, ik verstevig mijn greep op het stuur. Dagelijks zit ik op de fiets en nog steeds ben ik geen held. Toen ik nog studeerde, belandde ik met mijn wiel tussen de tramsporen en knalde tegen de straatstenen. Een week lang sloeg mijn lichaam geel en blauw uit. De pijn ebde weg, maar de angst had zich in mijn hoofd genesteld. Sindsdien fiets ik krampachtiger, alsof het beeld van het dichterbij komende asfalt nooit helemaal weg is gegaan.

“Op reis in Argentinië huurden we mountainbikes, fietsten een berg op en gingen vrolijk juichend op de top staan. Ik vooral omdat ik zonder vallen boven was geraakt.”

Toen Stijn en ik net samen waren, deed ik nog stoer alsof ik fietsen geweldig vond. Om indruk te maken op hij die wél van fietsen hield. Om niet te tonen dat ik een regelrecht watje was op twee wielen. Op reis in Argentinië huurden we mountainbikes, fietsten een berg op en gingen vrolijk juichend op de top staan. Ik omdat ik zonder vallen boven was geraakt, Stijn omdat het zijn zoveelste sportieve prestatie van het jaar was. Toegegeven, zo extreem hoog was de berg niet, maar toch, ik was onnoemelijk trots op mezelf. Tot Stijn grijnzend zei: “En nu naar beneden, hé.”

Natuurlijk wist ik dat na bergop ook bergaf komt – en mens kan niet eeuwig op de top blijven staan – maar als het had gekund, ik was daar een week blijven zitten. De rit naar beneden verliep in pure angst. De snelheid waarmee de fiets me naar beneden trok, de onwelwillendheid van de remmen, het vrolijke gejoel van Stijn… Dagen later had ik nog steeds kramp in mijn armen en handen.

Een straat verder breekt de hemel open. In de gietende regen sta ik te wachten om over te steken. Veel wagens passeren, tot er eindelijk eentje stopt. De vrouw achter het stuur gebaart vriendelijk dat de weg van mij is, haar ruitenwissers wuiven me toe. Hoewel het logisch is, hoewel de andere chauffeurs ook al hadden kunnen stoppen en ik dat heel normaal had gevonden, overspoelt het plotse gebaar van vriendelijkheid bij deze vrouw me helemaal. De glimlach op haar gezicht doet me wankelen. Ik zet me ietwat onelegant weer op mijn zadel, steek de straat over en probeer tegelijkertijd mijn stuur recht te houden en een hand op te steken.

“Een vrouw op de fiets, op het randje balancerend tussen breken en doorgaan… wat een bizar zicht moet het zijn. Maar wat voel ik me ineens levend, wakker, aanwezig.”

Aan de overkant van de straat trap ik door, en terwijl ik fiets, begin ik onbedaarlijk te huilen, alsof het verdriet zich ineens woest een weg naar buiten baant. Enkele wandelaars passeren me, kijken me aan met een mengeling van verbazing en afgrijzen.

Ik fiets, terwijl de tranen over mijn wangen stromen. En tegelijkertijd voel ik een glimlach opkomen. Een vrouw op de fiets, op het randje balancerend tussen breken en doorgaan, wat een bizar zicht moet het zijn, maar wat voel ik me ineens levend, wakker, aanwezig. Na vijf dagen huil ik weer. Eindelijk.

Ik fiets binnenkort wel weer de berg op, maar het bergaf gaan voelt ineens als een opluchting aan. Alsof ik terug kan ademen. Achter op mijn fiets slaat Stijn zijn armen om mij heen en zegt: “Het is oké.”

Tekst: Hannelore Bedert – Foto: Ann De Wulf

Lees meer van Hannelore Bedert:

• Uit het hart van Hannelore: “Mijn dochter draait zich naar me om, met bloemetjes in haar hand. ‘Zal papa deze mooi vinden? vraagt ze” 
Uit het hart van Hannelore: “‘Wel snel, hé’, hoor ik de man zeggen. ‘Wel snel dat ze zo terug vrolijk is’”
Uit het hart van Hannelore: “‘Je steekt alle traantjes in een pot en doet die pot dan op slot’, zegt mijn dochter”
• Uit het hart van Hannelore: “Nu lees ik boekjes voor, elke avond en met oeverloos geduld”
• Uit het hart van Hannelore: “Goeien bal, lief, goeien bal, hoor ik Stijn stilletjes zeggen”
• Uit het hart van Hannelore: “Wat mis ik die rustgevende boodschap: ‘Ziek maar uit, ik breng de kindjes wel naar school'”

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!