Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Hannelore

Uit het hart van Hannelore: “‘Een voetbal? Papa zit toch niet in een voetbal?’ giechelt Polly”

Begin 2019 verloor Hannelore plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

De blauwe voetbal

De kinderen bleven een nachtje elders logeren, omdat ik bij een huwelijk uitgenodigd was. Nadat ik Polly daags nadien heb opgehaald, vraagt ze me de oren van de kop. Ze wil weten wie er trouwde, welke jurk de ‘mevrouw’ droeg en wat trouwen nu eigenlijk is. En hoewel ik weet dat ze die uitleg al vaker heeft gevraagd en gekregen, vertel ik haar nog eens wat trouwen inhoudt.

“Die kindervragen, ik kan ze bij momenten vervloeken, maar ze dwingen een mens wel tot nadenken over zaken waar je misschien nooit zou bij stilstaan”

Dat je daar helemaal niet toe verplicht bent, dat je elkaar ook graag kunt zien zonder dat wettelijk vast te leggen of in een kerk te gaan staan. Dat papa en ik niet getrouwd waren toen we Hoppe kregen en dat we een kind eigenlijk als een grotere verbintenis zagen dan dat ‘papiertje’, maar dat het bepaalde dingen nu eenmaal makkelijker maakt als je wél zo’n ‘papiertje’ in handen hebt.

Ze wil weten of papa en ik in de kerk trouwden of ergens anders, of we nog steeds getrouwd zijn en vooral: of ik papa nog graag zie. Bij de laatste vraag moet ze mijn stilte opmerken, want zelf houdt ze ook even haar adem in. Pas als ik zeg: “Dat weet je toch, Polly”, halen we allebei terug adem. “En ziet papa jou ook nog graag?” Opnieuw stilte. Die kindervragen, ik kan ze bij momenten vervloeken, maar één ding staat vast: ze dwingen een mens tot nadenken over zaken waar je misschien nooit zou bij stilstaan.

“Polly weet hoe ik erover denk. En ook dat ik het prima vind als de kinderen wél in een hemel willen geloven”

“Ik denk niet dat papa nog iets kan voelen, Polly. Als je sterft, dan ben je er niet meer, dus dan kun je ook geen gevoelens meer hebben.” Ze kijkt me bedenkelijk aan, weet dat we al eerder over doodgaan gepraat hebben. Ze weet hoe ik erover denk en ook dat ik het prima vind als de kinderen wél in een hemel willen geloven. Iedereen verwerkt verdriet en gemis op zijn of haar manier, ik ga de kinderen nooit dwingen mij te volgen in mijn overtuiging dat er niks meer volgt na de dood.

“Maar als papa nu tóch nog iets zou kunnen voelen, zou hij je dan nog graag zien?” vraagt ze met haar hoofdje wat gebogen. “Ik hoop het”, glimlach ik. “En zou hij ons nog graag zien?” “Daar ben ik zeker van”, antwoord ik. Aan haar gezichtje te zien is ze gerustgesteld, maar een vraag komt nooit alleen bij Polly. “Mama,” gaat ze verder, “als je doodgaat, zit je dan in een schaaltje?” Ze kijkt me geïnteresseerd aan, verduidelijkt meteen haar vraag door het woord ‘schaaltje’ te vervangen door ‘pot’.

“Polly vraagt hoe Stijn in zo’n kleine pot kon passen. Ook al kent ze het verhaal, ik twijfel even of ik het nogmaals moet en wil uitleggen”

Ik glimlach, zeg dat papa inderdaad in een urne begraven is. Ik wenk haar, fluister iets in haar oor, waarop ze het uitschatert. “Een voetbal? Papa zit toch niet in een voetbal?” giechelt ze. Ik schud mijn hoofd, zeg dat de urne gewoon wat leek op een grote, blauwe voetbal. En dat ik dat grappig vond, tussen alle ernst die er heerste bij de begrafenisondernemer. Dat ik met mijn zus en met de vader van Stijn naar alle urnes stond te kijken, het absurd vond dat Stijn in één van die potten zou belanden en dus maar koos wat Stijn grappig had gevonden: de goedkoopste pot, in de vorm van een dwaze, blauwe voetbal.

Polly vraagt hoe Stijn in zo’n kleine pot kon passen. Ook al kent ze het verhaal, ik twijfel even of ik het nogmaals moet en wil uitleggen. “Als je gecremeerd bent, dan pas je in zo’n pot”, herhaal ik nog maar eens. “Maar je kunt ook kiezen voor een kist. Daar ga je dan volledig in.” “Oké, dan wil ik in een kist”, zegt Polly overtuigd.

“Ik niet”, zeg ik, waarop ze me meteen met grote ogen aankijkt. Van de eerdere, kortstondige overtuiging is geen glimp meer op te vangen. “Waarom niet?” vraagt ze. “Ik wil niet opgegeten worden door beestjes”, zeg ik. “Ik weet dat dat wat idioot is, maar ik hou niet van kleine beestjes op mijn lijf. Ze mogen de hele tuin hebben, maar ik wil ze niet op mijn lijf. Ook niet als ik dood ben en het dus niet meer voel.” “Oei, ik ook niet”, zegt Polly met grote ogen. “Maar ik wil ook niet in een oven.” “Maar dat voel je dus niet meer”, zeg ik. “Want je bent dood.” “Dat is bij die beestjes toch ook zo?”

Triomfantelijk kijkt ze me aan. Dan pakt ze haar schaartje op en begint willekeurige lijntjes in een blad te knippen. “Ik hoop gewoon dat papa ons niet te hard mist”, zegt ze. “Of toch niet zo hard als ik hem mis.”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!