Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Daar sta ik, met het kussen van Stijn in mijn handen. Het lijkt onmogelijk na al die maanden, maar ineens ruik ik hem weer”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (35) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Onze columniste in het kort: Hannelore Bedert is bij het grote publiek bekend als singer-songwriter, en auteur van ‘Lam’, waarmee ze de Bronzen Uil publieksprijs 2019 won.

Niet zomaar een hoofdkussen

We hebben de racebaan van de zolder gehaald, een groots ding dat jaren geleden in huis kwam en waar Stijn evenveel plezier mee had als zijn zoon. Ik was de zagende vrouw die elke keer aangaf dat al die bochten en banen en bruggen in de weg stonden, dat ik erover struikelde, waarna het duo mijn verweer met een onschuldige blik onderuithaalde.

Vlak voor ik met vrienden aan de verbouwing van de kamers zou beginnen, haalde ik het ding uit elkaar en zette de doos op zolder. Zolang Hoppe er niet om vroeg, zweeg ik erover, uit schrik dat ik de baan toch niet meer in elkaar zou kunnen zetten. Geef me een wegenkaart en ik wijs iedereen waar hij heen moet, maar degene die handleidingen voor racebanen schrijft, heeft zware universitaire studies gevolgd waar ik met mijn simpele hoofd niet bij kan.

“Plots schiet er een platgedrukt hoofdkussen tevoorschijn. Ik herken het hoofdkussen van Stijn meteen en verstijf”

Op een regenachtige namiddag vraagt Hoppe dan toch ineens waar de racebaan is. Samen trekken we naar de zolder, waar na enig zoeken gejuicht wordt bij het vinden van de doos, die meteen door Hoppe de trap af wordt gemanoeuvreerd. Als ik mijn zoon wil volgen, zie ik iets uitsteken tussen een stapel naaistoffen. Wanneer ik eraan trek, schiet er een platgedrukt hoofdkussen tevoorschijn. Ik herken het hoofdkussen van Stijn meteen en verstijf.

Toen we de kamers verbouwden, wisselden Hoppe en ik van kamer, zodat ik niet meer in de kamer moest slapen waar ik al die jaren met Stijn sliep. De kamer was nog onafgewerkt en klaar om helemaal om te vormen tot de jongenskamer van zijn dromen, dus het was een geslaagde wissel. Hoppe kreeg de kamer waar hij al jaren naar uitkeek, ik kon ‘opnieuw’ beginnen.

Het toenmalige bed werd vervangen door een nieuw exemplaar en tijdens het verhuizen, zwierde ik het hoofdkussen van Stijn mee met de andere spullen op zolder, in de veronderstelling dat ik het na het verbouwen wel terug naar beneden zou halen. Maar dat deed ik dus niet. Misschien als zelfbescherming?

“Het is gewoon wat stof rond een kussen, zeg ik in mezelf. Toch druk ik er mijn neus in en haal diep adem. Meteen schieten de tranen mij in de ogen”

Hoppe roept vanuit zijn kamer dat hij hulp nodig heeft met het in elkaar steken van de racebaan, maar ik sta nog steeds op zolder te staren naar het hoofdkussen in mijn handen. Het is gewoon wat stof rond een kussen, zeg ik in mezelf. Toch druk ik er mijn neus in en haal diep adem. Meteen schieten de tranen mij in de ogen. Het lijkt onmogelijk, maar na al die maanden hangt de geur van Stijn nog steeds in de stof. Ik ren naar beneden, geef het kussen aan Hoppe en zeg dat hij eraan moet ruiken. Verbaasd doet hij wat ik vraag, waarna hij meteen met grote ogen zegt: “Ik ruik papa.”

Een halfuur later hebben we samen de racebaan in elkaar gezet, waarna we moeten constateren dat één van de autootjes niet meer meewil. Even vrees ik ontgoocheling bij Hoppe, maar hij kijkt mij over de racebaan heen aan en zegt: “Geeft niet, mama, ik ben blij dat we ’t samen hebben gedaan.” Een moederhart doen smelten, hij kan het als geen ander. Ik knipoog naar hem en zeg dat ik hem doodgraag zie. Even is het stil, dan vraagt hij: “Wat betekent doodgraag?”

Ik moet even nadenken, besef dat ik nooit heb stilgestaan bij dat woord, dat je sommige woorden nu eenmaal uit gewoonte gebruikt. “Dat ik je enorm graag zie, zo graag dat het niet nóg meer kan.”

Fronsend staart hij naar de racebaan. “Maar waarom staat daar dan ‘dood’ voor?” Ik wik en weeg mijn woorden. “Omdat het graag zien is tot aan de dood misschien?” De twijfel moet hoorbaar zijn in mijn stem, want meteen daarop vraagt Hoppe: “Dus als ik doodga zie je mij niet meer graag?” “Natuurlijk wel,” onderbreek ik hem snel, “Het is veel groter dan dood zijn, het is zó graag zien dat het voor altijd duurt.

Peinzend kijkt hij naar de grond. “Zoals bij papa?”, vraagt hij. “Ja, zoals bij papa.” Hij knikt, glimlacht even en zegt: “We zien papa nog altijd graag, ook al is hij dood.” Misschien klopte wat ik zei niet helemaal, maar de tevredenheid in zijn blik doet me deugd. Misschien moet niet altijd alles helemaal correct zijn, zolang het maar als waarheid aanvoelt.

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!