De inhoud op deze pagina wordt momenteel geblokkeerd om jouw cookie-keuzes te respecteren. Klik hier om jouw cookie-voorkeuren aan te passen en de inhoud te bekijken.
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."

Uit het hart van Hannelore: “‘s Avonds betrap ik mezelf erop dat ik in mijn hoofd een gesprek voer met Stijn. Soms zoek ik nog zijn advies”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (35) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Onze columniste in het kort: Hannelore Bedert is bij het grote publiek bekend als singer-songwriter, en auteur van ‘Lam’, waarmee ze de Bronzen Uil publieksprijs 2019 won.

De zwaaiman

Toen ik net was bevallen van Polly, ging ik waar ik ook kon te voet. Ik genoot van het kleine meisje in de draagzak tegen mijn borst, de warmte, de geluidjes. Ook Hoppe afhalen van school gebeurde al wandelend, waarbij we een drukke straat moesten oversteken, op een zebrapad waar automobilisten doorgaans de voetgangers negeren.

Die ene namiddag, in een volle lentezon, keek ik voor het eerst omhoog, daar aan het zebrapad. Misschien richtte ik alleen maar mijn hoofd op naar de zon, misschien had ik iets gehoord, feit was dat ik omhoog keek en voor het eerst de oude man achter zijn raam zag. Op de eerste verdieping van het kleine flatgebouw zat hij uit het gesloten raam naar beneden te turen. Hij zat op een stoel en leunde met zijn armen op de vensterbank. Hij keek, meer deed hij niet. Niet naar mij in het bijzonder, hij keek naar ieder die passeerde, elke auto, elke fietser leek hij te hebben gezien.

“De blik in de man z’n ogen mij had getroffen, hij zag er eenzaam uit. Dus zwaaide ik, want vriendelijkheid kan zo’n deugd doen”

Het beeld bleef me bij. Niet omdat het een beeld was dat ik nog niet eerder had gezien, wel omdat de blik in de man z’n ogen mij had getroffen. Hij zag er eenzaam uit, dat was het.

De dag daarna passeerde ik op dezelfde plaats en was ik te nieuwsgierig om niet omhoog te kijken. En daar zat hij, opnieuw. Terwijl ik hem van aan de overkant van de straat, over het zebrapad, naderde, zag ik hem alsmaar duidelijker. Hij was de negentig voorbij, dat stond vast, en hij zag er – ondanks de trieste blik in zijn ogen – ronduit sympathiek uit.

De dagen die volgden, waren niet anders, tot ik na een week eindelijk besliste mijn hand op te steken. Vriendelijkheid kan zo’n deugd doen. Tot mijn verbazing zwaaide de man meteen terug. De glimlach op zijn gezicht verried het plezier dat ik hem zonet had gegund.

Het gaf me zelf ook zo’n warm gevoel dat ik er een gewoonte van maakte. Weer of geen weer, drie jaar lang zwaaiden we naar elkaar, zonder te weten wie de ander was. Soms zat hij er eens niet, of nam ik een andere route, maar als we elkaar zagen, dan zwaaiden we.

Een tijd geleden besefte ik dat ik hem al enkele dagen niet had gezien. De dag erop check ik nogmaals. Ik kijk op, hoop hem aan het raam te zien, maar opnieuw is er geen teken van leven. Na een week begin ik me zorgen te maken. Zo lang heeft het nog nooit geduurd.

’s Avonds betrap ik mezelf erop dat ik in mijn hoofd een gesprek voer met Stijn. Ik doe het alsmaar minder, maar soms zoek ik nog zijn advies. Misschien is het een draai van de natuur om je heel voorzichtig te laten wennen aan het feit dat hij niet écht tegen je praat. Eerst lijk je hem nog te horen, heb je zijn raad nog nodig, zoek je naar iets wat hij bij je heeft achtergelaten, daarna doe je het ineens uit jezelf.

De volgende ochtend druk ik op de deurbel van het flatgebouw en vraag of iemand de man op de eerste verdieping kent. Er klinkt wat geschuifel en gekuch, daarna wordt me gevraagd even te wachten. Het duurt even, maar dan gaat de deur voor me open en staat een lichtgebogen variant van de oude man voor me, opmerkelijk jonger, maar duidelijk familie. Hij vraagt of ik zijn broer zoek.

Ik verontschuldig me, zeg dat ik niet wil storen, vertel waarom ik aanbel. Dat ik de oude man, zijn broer dus, al geruime tijd niet meer heb gezien. Dat ik weet dat het banaal klinkt, maar dat we vaak zwaaiden en dat ik me toch wat zorgen om hem maak.

“Drie jaar lang hebben we naar elkaar gezwaaid, en nu is de oude man er niet meer. Het voelt als een klap in mijn gezicht”

De blik in de ogen van de broer spreekt boekdelen en ik besef meteen dat mijn voorgevoel klopt, dat mijn ‘zwaaiman’ overleden is. Het voelt als een klap in mijn gezicht. Wanneer de deur even later – na iets wat voor een moeizaam gesprek kan doorgaan – voor mijn neus wordt dichtgeslagen, besef ik dat ik niet eens heb gevraagd hoe mijn ‘zwaaiman’ heette.

Het zebrapad is nog steeds eentje waar je – als je niet goed uitkijkt – overhoop wordt gereden. Maar het beeld is er veranderd, zoals zo veel dingen dat doen. Soms kijk ik nog omhoog, uit gewoonte. Dan moet ik mezelf inhouden om niet te zwaaien.

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content