Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Na al die tijd mag Stijn wel eens een teken geven, al was het maar om ons een houvast te bieden, te laten weten dat hij trots op ons is”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (35) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Onze columniste in het kort: Hannelore Bedert is bij het grote publiek bekend als singer-songwriter, en auteur van ‘Lam’, waarmee ze de Bronzen Uil publieksprijs 2019 won.

Een teken van hierboven

Hoppe en ik hebben vandaag afgesproken dat we Stijn aan de tand gaan voelen, gesteld dat we hem ooit terug mogen zien. Eens vragen waar hij al die tijd gezeten heeft. En of hij het nu echt zo grappig vond, zijn verstopspelletje.

Het blijft een moeilijk gegeven, wanneer de kinderen vragen wat er gebeurt als je sterft. Ben je er dan nog? Is er een hemel? Ik geloof al zo lang niet meer, dat ik ervan overtuigd ben geraakt dat er niks meer is na de dood. Ik zou graag geloven, om een houvast te hebben, maar je kunt jezelf nu eenmaal niet tot een geloof dwingen.

“Terwijl ik me bedenk dat Stijn na al die tijd wel eens een teken mag geven, valt plots de stroom uit. ‘Heel grappig, Stijn’, zeg ik luidop”

’s Avonds, als de kinderen slapen, bedenk ik me echter dat Stijn na al die tijd wel eens een teken mag geven. Al was het maar om ons alsnog een houvast te bieden. Heel even laten weten dat hij trots op ons is, wat zou dat mooi zijn.

In de keuken zet ik de vaatwasmachine aan, hang een was op, maak boterhamdozen klaar, steek nog een ovenschotel in om morgen al voorzien te zijn en vul daarna het lijstje aan met werkjes die ik nog in het huis moet uitvoeren: de pomp repareren, het lek in de badkamer fiksen… Ik noteer en zit er hoofdschuddend bij te grinniken. Hij zou mij bezig moeten zien.

Terwijl ik schrijf wordt het ineens pikdonker in huis. Alle lichten uit, alle stroom weg. De toestellen maken een fwiet-geluid en stoppen met ademen. Ik schrik even, herinner me dan meteen wat ik heb gevraagd en hoor mezelf giechelen. “Heel grappig, Stijn”, zeg ik. Luidop.

Mijn stem weerkaatst tegen de muren en komt loeihard bij me terug. Maar ik blijf het grappig vinden, want hey, ik vroeg om een teken en kréég er eentje.

Een halfuur later vind ik het niet grappig meer. Er is niemand die mijn lach beantwoordt en ik zoek me rot naar de sleutel van de zekeringenkast. Wat later heb ik eindelijk de sleutel gevonden, maar blijkt geen enkele zekering te zijn gesprongen. In de straat branden de lantaarns nog en ik zie licht bij enkele buren, dus het probleem ligt hier, in ons huis. Koppig als ik ben – en ervan overtuigd dat ik ook dít wel zal kunnen regelen – zoek ik verder, trek stopcontacten uit, overloop zekering per zekering, maar de moed zakt me alsmaar meer in de schoenen. Ik voel me zoals de ovenschotel die er ondertussen nogal triestig uitziet, half wel en half niet klaar.

Uiteindelijk zet ik mijn trots aan de kant en stuur een bericht naar een bevriende buurman. Of er bij hen wel stroom is. Ik stel de vraag zo casual mogelijk, maar als hij antwoordt met: “Zal ik eens komen kijken?” voel ik opluchting.

“Ik wil zó graag bewijzen aan anderen – maar misschien nog het meest aan mezelf – dat ik het kán, in mijn eentje”

Wanneer hij twee minuten later voor de deur staat, durf ik niet meteen zeggen hoelang ik al aan het prutsen ben. Hij heeft maar even nodig, bestudeert de kast, draait zich dan om naar een muurschakelaar – waarvan ik amper het bestaan wist – en voorziet zonder aarzelen het huis – en mij – terug van stroom.

“Het is toch heel logisch dat je niet alles weet?” zegt hij, wanneer hij mijn blik ziet. “Je moet niet in alles goed zijn.” Ik knik, opgelucht, maar voel meteen de tranen komen. Ik zeg dat ik het zó graag wil. Bewijzen aan anderen – maar misschien nog het meest aan mezelf – dat ik het kán, in mijn eentje. De boel rechthouden, het huishouden runnen, altijd vers eten op tafel zetten, problemen oplossen… Terwijl ik het zeg, besef ik hoe idioot het klinkt. De buurman staat me grijnzend aan te kijken. “Denk je dat Stijn nooit eten zou hebben laten aanbranden, mocht jij er niet meer geweest zijn? Of dat alles hier altijd goed geregeld zou zijn, zonder jou?”

Bij het afscheid nemen, zegt hij: “Niet aarzelen als je hulp nodig hebt, voor eender wat, we zijn slechts enkele huizen van je verwijderd. En we zijn blij dat als we mógen helpen.”

Ik sluit de deur en bedenk me hoe fijn het is simpelweg te wéten dat er een vangnet is. Dat je heel graag altijd maar sterk wil zijn, maar dat het niet altijd hoeft. Misschien was het toch een teken van Stijn. Ik hoor het hem zeggen: “Durf om hulp vragen. Niet te koppig zijn, lief. Niet te koppig zijn.”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!