Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten
Getty Images

Over de band met je viervoeter: “Een hond is geen kind, maar waarom behandelen we ‘m dan toch zo?”

Door De Redactie

Natuurlijk zijn huisdieren geen kinderen, dat wist redactrice Kaat ook. Maar ondanks haar voornemen om haar hond niet als een baby te zien, ontwaakte er toch een soort puppymoeder in haar.

Niet zomaar een hond

‘Het blijft een hond’, zeiden we toen we tien jaar geleden een hond in huis haalden. We waren vastbesloten. Het dier zou een dierennaam krijgen, en dus bijvoorbeeld niet Daisy of Sam of Tamara heten. Voor onze hond ook geen geboortekaartje bij zijn komst, geen strikjes, knuffels en slabbetjes. We zouden niet met zo’n hoog stemmetje tegen hem praten, niet ‘zoeteke’ zeggen en ook zeker niet: ‘Kom eens bij mammie en pappie.’ Ha nee. Wij niet. Het bleef tenslotte een hond.

U weet hoe dat gaat met mensen met rotsvaste overtuigingen. Het leven leert hen gauw genoeg dat de zaken niet zo zwartwit zijn. Bij ons (of juister: bij mij, mijn man bleek immuun) gebeurde dat in vijf stappen.

1. Ik moest een liedje voor hem zingen

“Op controle bij de dierenarts kreeg ik een puppydoos: het leek wel Kind & Gezin voor nieuwe baasjes”

‘Ga maar mee met je nieuwe mammie’, zei de vrouw bij wie ik onze hond ging ophalen. Ze duwde het allerliefste hoopje vacht ter wereld in mijn armen, en omdat het een eind rijden was, zei ze dat ik mijn lieveling rustig moest houden door een liedje te zingen. Ik ken helaas niet veel liedjes, dus werd het: ‘Klein konijntje Pinkie had een vliegje op zijn neus.’ Dat liedje had ik altijd voor mijn dochter gezongen. De hond viel in slaap tegen een blauwe knuffel die ik in de dierenspeciaalzaak cadeau had gekregen. Thuisgekomen gaf de buurvrouw hem een strikje en een belletje. We schreven de hond in op school – oké, de hondenschool – en ik ging met hem op controle naar de dierenarts. Daar wogen ze hem, gaven ze me nog wat advies en een puppydoos: het leek wel Kind & Gezin voor nieuwe baasjes.

Om maar te zeggen: het was niet mijn schuld dat er al snel een soort puppymoeder in mij ontwaakte. De hele samenleving wees me erop dat ik niet zomaar een dier in huis had gehaald, dit ging om een gezinslid. Dat komt doordat die samenleving nu helemaal anders kijkt naar huisdieren dan enkele decennia terug, toen een dier wél nog echt een dier was. Uit onderzoek blijkt het keer op keer: we zien echt wel dat er een verschil is tussen een huisdier en een kind, maar in de praktijk trekken we die grens niet meer zo scherp. We vieren verjaardagen van onze dieren en vinden het de gewoonste zaak van de wereld dat ze op alle gezinsfoto’s – en de nieuwjaarskaartjes, en Facebook – staan. We koken voor hen, of geven ze alleen voeding van de beste kwaliteit. We geven ze koosnaampjes, net zoals we dat bij kinderen doen, en we kopen ook graag eens iets extra. Sterker nog, wereldwijd is de liefde voor huisdieren booming business, hét gat in de markt: matchende pyjama’s, troostende muziekjes, hondenverjaardagstaartjes, het bestaat allemaal.

De fur baby economy, wordt dat wel eens genoemd: ‘baby’s met vacht’ doen de zaken draaien. Volgens het trendbureau Flex zijn vooral de hardwerkende millennials en ouderen bereid liefde en veel geld te investeren in hun huisdieren. Een van de verklaringen is dat dieren zo perfect inspelen op de vacatures in onze levens. We krijgen minder en later kinderen, maar we leven ook langer, waardoor we hoe dan ook langere periodes zonder kinderen doorbrengen. En waar moeten we dan met al die koesterende liefde naartoe? Inderdaad. In 2018 gaven mensen in Amerika alleen al 72,56 miljard uit aan voeding, maar ook aan kleding, apps om contact te houden, massagesalons en luxueuze extra’s.

2. Hij hield zijn kopje schuin

“Jonge dieren triggeren al onze zorginstincten, met die grote ogen, dat ronde hoofd, schattige neusje, hun zachte molligheid”

Onze hond heette eigenlijk Jody, maar dat was een meisjesnaam en dat mocht dus niet volgens onze principes. Het werd Foxy. Al noemde ik hem al snel poppemieke. Dat kwam doordat die hond altijd zijn kopje schuin hield als ik iets zei. Hij deed ook iets schattigs met z’n oren, waardoor ik helemaal smolt. O, hoe lief, dacht ik, zelfs als hij weer eens had samengewerkt met de katten om de droge worst – hoog aan de keukenkast bengelend – te stelen.

Jonge dieren triggeren al onze zorginstincten, net zoals baby’s dat doen – met die grote ogen, dat ronde hoofd, schattige neusje, hun zachte molligheid. Sommige dieren worden zelfs zo gekweekt dat ze er eeuwig en altijd als baby’s blijven uitzien: denk maar aan de mopshond. Maar er is nog iets. Tot op zekere hoogte behandelen onze dieren ons ook als hun ouders. Dat is te zeggen: hun band met ons is zo innig dat wij hun veilige basis zijn – net zoals ouders dat voor kinderen zijn. In een Weens onderzoek waren honden veel minder geïnteresseerd in opdrachten als hun baasje de kamer uit ging: dat wees erop dat ze – net als kinderen – ‘veilig gehecht’ waren aan hun verzorger. Uit een andere, Amerikaanse studie bleek trouwens dat katten dat ook hebben: 60 procent van de kittens in de test waren volgens de onderzoekers de kluts kwijt wanneer hun verzorger de deur uit stapte. Pas als die terugkwam, werden ze weer rustig en speels.

Bioloog en schrijver Midas Dekkers heeft al vaker beschreven hoe wij onze dieren niet alleen als kinderen behandelen, maar hoe zij ook doen alsof we hun moeder zijn. Dat gebeurt al helemaal als het om katten gaat. Ze komen lekker tegen ons aan liggen, spinnen en met hun pootjes trappelen, net zoals kittens dat doen bij moeder-poes. ‘Wij moeten voor moeder spelen, en zij spelen ons kindje. Het is het heerlijkste misverstand van de hele wereld’, zei Midas Dekkers in De Wereld van Sofie, op Radio 1.

3. Hij werd van school getrapt

“Net zoals bij kinderen neem je opvoedingsadviezen persoonlijk. Omdat je denkt: heeft die dat nu van mij?”

Nee, dat is niet waar. We werden niet echt buitengezet uit de hondenschool. Laten we het erop houden dat de schoolcarrière van de hond geen groot succes was. En dat hij zich ook daarbuiten vaak gedroeg als het equivalent van een tierend kindje aan de kassa van een warenhuis. Ik kan een boek schrijven met alle opvoedingstips (en ook voedingsvoorschriften, zelfs interieuradviezen) die we kregen in verband met die hond. Het is ook gek, hoe je dat op de duur persoonlijk gaat nemen, net zoals je dat bij kinderen doet. Omdat je altijd denkt: heeft die dat nu van mij?

De waarheid is: een beetje wel. Uit onderzoek blijkt dat niet alleen honden, maar ook katten echt op hun baasjes gaan lijken. Zo gingen de onderzoekers in een Britse studie de scores na bij baasjes en bij hun katten op de vijf grote persoonlijkheidskenmerken (extraversie, vriendelijkheid, emotionele stabiliteit, ordelijkheid en openheid). Wat bleek? Katten spiegelen vaak ons gedrag, net zoals onze kinderen weleens dingen van ons overnemen. Neurotische baasjes hebben bijvoorbeeld vaker katten met een niet zo stabiel karakter, en extraverte mensen hebben vaker een kat die graag op verkenning gaat.

Uiteraard weten we niet zeker of het een nu echt het andere veroorzaakt: rustige baasjes kiezen misschien gewoon een rustig dier uit het nestje, of een iets rustiger ras. Maar het maakt wel duidelijk hoe hecht dieren en mensen vandaag met elkaar verbonden zijn, en hoe baasjes ook een impact hebben op hoe zij zich voelen. Zelf probeer ik nu al een hele tijd te doen alsof ik een kalm baasje ben met een standvastig humeur. Voorlopig schijnt de hond daar niet in te trappen.

4. Toen stak hij zonder kijken de straat over

“Het leek of ik er weer een kind bij had. Ik werd een helikopterbaasje, altijd waakzaam voor wat mis kon gaan”

Op een dag trok ons hondje zich met leiband en al los omdat hij aan de overkant van een erg druk kruispunt iets had gezien – een vliegje wellicht – dat hem interesseerde. Zwaaiend als een gek ben ik toen het kruispunt op gelopen, om het verkeer te regelen en de hond te redden. In de jaren daarna heeft mijn hart nog zeker duizend keer stilgestaan. Er was die keer dat hij goed ziek werd door van een modderige plas te drinken. En die keer dat hij werd gegrepen door een grote, loslopende hond. Die keer dat hij van de trap donderde toen hij achter de katten aan zat. Al die keren, en het schuldgevoel dat erbij hoorde, de angsten, de pogingen om alle onheil te voorkomen. Het kwam me bekend voor. Het leek of ik er weer een kind bij had. Ik werd een helikopterbaasje, altijd waakzaam voor wat mis kon gaan.

Het is vandaag misschien wel het moeilijkste in onze relatie met honden, katten en aan huisdieren in het algemeen. Waar leg je de grens tussen de verantwoordelijkheid die je draagt en de vrijheid die je dier nodig heeft? Van kinderen weet je dat je ze op een dag moet loslaten, en je bereidt ze daar stukje bij beetje op voor. Bij dieren is dat anders. Het is niet de bedoeling dat ze ooit het huis uit gaan, een flatje inrichten en een job zoeken. Ze zijn onze verantwoordelijkheid, én ze zijn ons bezit: we zijn eigenaar van onze dieren, niet van onze kinderen. En tegelijk hebben onze huisdieren ook de diepe behoefte om dier te zijn.

Dat maakt ze kwetsbaar, en het betekent dat we met al onze liefde ook altijd op de rem zullen moeten staan. Die innige omhelzing, dat jasje, zelfs onze (over)beschermende reflexen: het is wat we voor kinderen zouden doen, maar de vraag blijft altijd of het ook voor dieren oké is. Ze blijven namelijk fundamenteel anders dan wij. Ze hebben de diepe nood om zich – wild, en stinkend bij momenten – door de modder te rollen, achter iets (of alles) wat beweegt aan te zitten, om zich niks van onze verwachtingen aan te trekken.

5. Ik googelde zijn levensverwachting

“Ik noem hem nu net zo vaak ‘zoeteke’ als ik wil. De tijd die ik met hem heb is zo kort, dat ik niet zuinig wil zijn met liefde”

Zoals ik altijd graag over kinderen heb gelezen, zo tik ik soms lukraak wat zoekwoorden in over de hond. ‘Keeshondje + leeftijd’ googelde ik op een dag. Ik moest het ongetwijfeld ooit gelezen hebben, en dan weer vergeten zijn, maar daar stond het plots: keeshondjes worden gemiddeld tussen de tien en de veertien jaar oud. Onze hond is tien, hij is dus misschien al zijn leeftijd. Toen merkte ik voor het eerst dat hij al wat grijs werd. Hij is voor eeuwig de peuter in huis – altijd bereid om onheil te stichten – en toch is hij ook een gezwinde grijsaard, het oudje van ons gezin.

Sinds ik dat weet, praat ik eigenlijk voortdurend met een hoog stemmetje tegen hem. Ik koop wel eens iets als beloning. En het blijft een hond, ik weet het, maar ik noem hem nu net zo vaak ‘zoeteke’ als ik wil. Omdat de tijd die je met een huisdier hebt altijd zo kort is dat je ook niet te zuinig wilt zijn met liefde. Welke liefde dan ook.

Uit: Libelle 12/2020 – Tekst: Kaat Schaubroeck

Lees ook:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!