Koen

“De start van de lente is een moment van hoop, de warme avonden op het terras zijn in zicht”

Koen Strobbe (58) keerde na twintig jaar in het zuiden van Frankrijk met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten terug naar ons land.

Eindelijk is ze daar, de lente, en nu houdt ook de kalender ze definitief vast. Het is raar wat zo’n datum – 21 maart – doet met je hoofd. Zelfs al zou het zonnetje minder hard schijnen dan tijdens de laatste winterweek, toch is alles plots anders en geeft die eenentwintigste maart me elk jaar weer kriebels in de buik.

Het is een datum van hoop, een dag van vooruitkijken. Naar het einde van de donkerte die zo eigen is aan de winter. Naar warme avonden op het terras, met vrienden. Gedaan met de dagen waarop je ’s morgens in het donker naar je werk vertrekt en ’s avonds, opnieuw in het donker, terug thuiskomt en daarom, als het eindelijk weer weekend is, je vaak een hele werkweek lang nauwelijks daglicht hebt gezien.

Ik benijd de mensen (en dus onszelf, niet zo lang geleden) die een heel jaar kunnen genieten van licht en zon. Anderzijds kan ik me nauwelijks voorstellen hoe mensen die er tijdens de winter nog harder mee te maken krijgen dan wij, zoiets volhouden. Neem nu de Zweden of Finnen: daar gaat de zon in de winter rond halfvier al onder en duurt de nacht tot negen uur ’s ochtends. Hoe hou je zoiets in godsnaam vol?

Ilse en ik besluiten om ons via een fikse natuurwandeling persoonlijk te gaan vergewissen van de oprukkende lente, maar dat valt tegen. Het bospad dat we vaak nemen, ligt er geen sikkepit anders bij dan twee weken geleden. Oké, misschien is er hier of daar een boom die wat pluisjes heeft, maar voor de rest lijken de bomen nog altijd een beetje in coma.

Ik weet ondertussen dat hier, anders dan in Zuid-Frankrijk, waar de lente de natuur bijna klokvast en geleidelijk doet veranderen, een paar uitzonderlijk mooie en warme dagen nodig zijn. Dan ontploft de natuur letterlijk: in enkele dagen tijd kleurt alles fris lichtgroen en breken aan alle kanten de blad- en bloemknopjes open.

Terwijl mensen zich de hele winter naar kantoor haastten, ervaar ik plots een andere stad. Mensen lopen trager en er wordt met elkaar gepraat

Ik merk het ook in de stad, tijdens mijn dagelijkse tocht van het station naar kantoor. De hele winter verliep dat traject in stilte. Mensen haastten zich, met een rugzak over de schouder of een aktetas in de hand, door de kou of de regen naar de plek waar ze moesten zijn. Het enige wat je hoorde, waren voorbijrijdende auto’s en fietsers die luid bellend tussen de mensen door zigzagden.

Nu ervaar ik plots een andere stad. Mensen lopen trager en overal wordt er met elkaar gepraat. En wanneer ik ’s avonds terugkom, zitten de terrasjes afgeladen vol met studenten en collega’s. Op mijn wandeltocht kruis ik tientallen internationale bistro’s en restaurants. Italiaanse, Turkse, Spaanse, Argentijnse, Indische, Chinese, Israëlische, Portugese: als ik het personeel langs de terrastafeltjes zie lopen, is het alsof er net iemand een nieuwe batterij heeft ingestoken en hun gezichten heeft bijgeschminkt.

Zuiderse mensen kunnen duidelijk nog minder goed tegen onze winters dan wijzelf. Onze huid wordt bleker door het gebrek aan zon, die van hen wordt vaalgrijs, alsof hun lichaam hen wil vragen wat hen in hemelsnaam bezield heeft om hier te komen wonen. Een melodieus “Ik mis de zon, meneer”, is de hele winter lang het meest gehoorde zinnetje bij de Italiaanse ober van het restaurant waar ik graag kom. In het restaurant hangt een grote poster waarop een diepblauwe zee, dobberende bootjes en een heerlijk zonnetje, hem hartstochtelijk uitlachen omdat hij dat alles zomaar heeft achtergelaten.

Tijdens de donkere wintermaanden steekt het natuurlijk nog het meest. Dan telt zijn naar zon snakkende lijf élke dag af naar die ene maand vakantie, naar het langverwachte familiebezoek. Zelf is hij hier natuurlijk al even lang thuis als jij en ik. Het waren zijn grootouders die ooit besloten om in dit verre koude land hun geluk te beproeven. Als de ober klaagt over het weer, lach ik weleens dat hij toch gewoon hier geboren is. Dan tikt hij met z’n vinger tegen z’n voorhoofd en lacht uitbundig: “Kijk meneer, het kopje weet dat, maar het lijf wil niet volgen hè, dat heeft de zon nodig!”

Lees meer van Koen Strobbe:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes

Partner Content