Mijn verhaal: Stijn werd aangereden door een dronken chauffeur en belandde in een diepe coma

Mijn verhaal: Stijn werd aangereden door een dronken chauffeur en belandde in een diepe coma
Getty Images

Hij leidde een druk leven, met een vrouw en twee kinderen. Maar door een dronken chauffeur werd het leven van Stijn (42) en dat van zijn gezin compleet overhoop gegooid.

Stijn: “Voor het ongeval leidde ik een heel actief bestaan. Ik gaf voltijds les als leerkracht levensbeschouwing, was gelukkig getrouwd met twee dochters – toen zeven en negen jaar – en had een druk sociaal leven. Ik speelde in een muziekgroep, ging graag een pintje drinken met vrienden en ik was heel sportief. Nog niet zo lang voor die fatale dag twee jaar geleden had ik mijn eerste marathon gelopen, en ik was me alweer aan het voorbereiden op een nieuwe marathon. Ik had de smaak te pakken. Maar helaas werden mijn plannen helemaal overhoop gegooid.”

Wil je graag verder lezen?
Dan vragen wij je om eenmalig een gratis account aan te maken. Vanaf dan krijg je ongelimiteerd toegang tot al onze artikels en video’s.

Stomdronken

“Het was al na middernacht toen ik naar huis fietste van een avondje op café met een van mijn vrienden. Ik reed op het fietspad, mijn lichten brandden en ik droeg een fietshelm. Van wat er nadien is gebeurd, weet ik niets meer. Wat ik je nu dus vertel weet ik van mijn gezin en mijn familie. Een automobiliste reed me langs achter aan waardoor ik meters verderop belandde. De vrouw bleek stomdronken. Haar toestand was zelfs zo erg dat ze me niet kon helpen, of zelfs maar in staat was de hulpdiensten te verwittigen. Gelukkig passeerde kort na de aanrijding een andere chauffeur die de ambulance belde, me de eerste zorgen toediende en een dekentje over me legde. Niet veel later werd ik afgevoerd naar het Universitair Ziekenhuis in Gent.”

Zwaaien als ze weggingen

“Beetje bij beetje kon ik opnieuw communiceren met mijn vrouw en kinderen. Vroegen ze me te zwaaien als ze de kamer verlieten, dan deed ik dat ook”

De gevolgen van het ongeval waren desastreus: 72 uur lang zweefde ik tussen leven en dood. Dokters konden niet zeggen of ik het zou overleven en als dat wel zo was: in welke staat ik zou verkeren. Mijn hoofd was er – ondanks mijn fietshelm – heel erg aan toe en de hele linkerkant van mijn lichaam was verlamd – ook mijn aangezicht. In mijn bovenlichaam was alles boven mijn borstbeen gebroken, zelfs mijn nek. Mijn gezicht was zwaar vervormd, omdat mijn aangezicht enorm hard was geraakt. En dat was nog niet alles. Doordat mijn hersenen heel erg beschadigd waren, moest ik verschillende ingrijpende neurochirurgische operaties ondergaan. In totaal onderging ik – tot nu toe – tien operaties, waarvan vier in levensbedreigende omstandigheden.

Wekenlang lag ik in een diepe coma, verbonden aan duizend-en-één draadjes en buisjes. Na een paar weken kwam ik in een semicomateuze toestand terecht. Dat wil zeggen dat ik uit coma was, maar dat mijn bewustzijnsniveau zodanig laag was dat ik nog steeds niet kon praten, slikken of eten. Ik verloor in een sneltempo gewicht, raakte verzwakt en tot overmaat van ramp liep ik ook nog een ziekenhuisbacterie op. Maar beetje bij beetje werd ik beter en slaagde ik er zelfs in om opnieuw te communiceren met mijn vrouw en kinderen wanneer ze op bezoek waren. Vroegen ze me te zwaaien als ze de kamer verlieten, dan deed ik dat ook. Dat was mijn eerste tastbare vorm van communicatie: mijn hand opsteken als mijn kinderen de intensieve zorgen verlieten. Maar zelf heb ik geen bewuste herinneringen aan heel die periode. Soms lijkt het alsof ik me dingen nog wel herinner, maar het zou ook kunnen zijn dat ik het me herinner omdat het me al zo vaak is verteld.”

De weg kwijt

“Ik moest letterlijk alles opnieuw leren, en dat liep niet altijd van een leien dakje. Het was heel confronterend, want ik kon bijna niets meer”

Drie maanden na het ongeval verhuisde ik van de high care in het ziekenhuis naar het revalidatiecentrum, waar ik nog een hele lange weg zou moeten afleggen. Ik moest letterlijk alles opnieuw leren, en dat liep niet altijd van een leien dakje. Het was ook heel confronterend, want ik kon bijna niets meer. Ik kon niet meer stappen, mijn geheugen en denkvermogen waren zwaar aangetast, en ik moest heel gewone dagdagelijkse dingen opnieuw leren: mezelf wassen, aankleden, de trein of bus nemen, me in openbare ruimtes begeven. Ik moest ook opnieuw leren fietsen op twee wielen, of leren schrijven. Met behulp van heel wat therapieën, zoals kinesitherapie, logopedie, ergotherapie, groepstherapie, psychotherapie en neurotherapie, begon ik keihard te werken aan mijn herstel. Want vooral mijn wilskracht en mijn optimisme zijn heel groot gebleken tijdens mijn revalidatie. Vanaf het moment dat ik uit mijn rolstoel kon, begon ik te wandelen. Eerst met een looprek, wat later zonder, maakte ik elke dag toertjes in de tuin van het centrum.

Maar ik wilde ook vooral dat ik cognitief sterker werd. Naast de verplichte neurotherapie probeerde ik zelf mijn geheugen te trainen. In het begin luisterde ik naar podcasts, maar van zodra het me lukte, begon ik te schrijven. Ik schreef alles op waar ik mee bezig was, hoe ik de dingen beleefde, waar ik over nadacht, wat ik even kwijt moest. Zo ontdekte ik dat ik, ondanks het zware hersenletsel, cognitief in orde was. Want dat ik hier nu gewoon kan zitten babbelen, had niemand durven denken. De meeste mensen in mijn situatie komen uit zo’n ongeval met een mentale beperking, met een volledig veranderde persoonlijkheid of overleven het simpelweg niet. Ik heb dus geluk gehad.”

Eenzaamheid

“Maar ik moet ook toegeven dat maandenlang in zo’n revalidatiecentrum werken en vechten om dingen terug te kunnen die niet zo lang daarvoor vanzelfsprekend waren, niet altijd gemakkelijk was. Er zijn momenten geweest tijdens mijn revalidatie dat ik heb moeten vechten tegen melancholie. Dat ik heel dicht tegen een depressie aan zat. Maar ik wilde dat niet. Ik heb me altijd proberen te focussen op de dingen die wél mogelijk waren, op mijn eigen herstel. Dat is me ook gelukt, dankzij therapeutische hulp, en dankzij mijn ultieme motivatie: mijn dochters. Die motivatie heb ik écht heel hard nodig gehad. Want het leven in zo’n revalidatiecentrum is niet eenvoudig. Er waren plots de zeeën van tijd en het vele wachten, maar ook het gebrek aan slaap – ik sliep vaak niet meer dan vier of vijf uur, iets waar ik nog steeds problemen mee heb – en ook het besef dat het leven van iedereen rondom mij simpelweg verderging, terwijl ik dag in dag uit in dat revalidatiecentrum zat.

Ja, ik heb een tijd gesukkeld met existentiële eenzaamheid. Want ook al was en ben ik omringd met een fantastisch gezin, goeie vrienden en een fijne familie, het maakte in het leven niet uit of ik er nu was of niet: alles bleef evolueren, alles ging verder. En ik, ik kon niet mee. Dat was hard. Toch wilde ik mijn verdriet niet tonen als iemand bij me was. Ik heb ook nooit tegen iemand gezegd dat ik me eenzaam voelde. Want kwam er iemand op bezoek, dan greep ik die kans met beide handen om er een fijne tijd van te maken en bleef ik positief.”

Veilig aangekomen

“Mijn vrouw en ik hebben mekaar na het ongeval moeten terugvinden. Ik was zo wankel en kwetsbaar dat ik me aan haar vastklampte”

Mijn kinderen waren mijn allergrootste motivatie tijdens mijn revalidatie, en dat zijn ze nog steeds. Ze betekenen alles voor mij. Net daarom voelde ik me soms schuldig naar hen toe. Want ook al kon ik helemaal niets doen aan dat ongeval, het was wel door dat ongeval dat hun leven helemaal overhoop lag. Dat ze mij daar zo hebben moeten zien liggen op de intensive care, met al die draden en buisjes, dat was voor hen zonder twijfel heel moeilijk.

Maar dan was er mijn vrouw. Terwijl het leven van de kinderen én dat van haar op zijn kop stond, slaagde zij erin mijn kinderen te sparen van een al te groot trauma. Want ook al was het huishouden een complete chaos, was de structuur weg, en kwamen ze elke dag langs op de intensive care, mijn kinderen hebben geen enkele schooldag gemist. Ze zijn alledrie enorm sterk geweest. Ook hun hobby’s hebben onze dochters kunnen blijven uitoefenen. Mijn vrouw wilde niet dat ze stil zaten en begonnen te piekeren. Rustig doordoen en het tempo aanpassen, was haar redenering, iets wat we nu nog altijd toepassen.

Tussen mijn vrouw en mij is het die periode wel heel zwaar geweest. We hebben mekaar na het ongeval echt moeten terugvinden. Doordat ik me zo alleen voelde in mijn revalidatiecocon klampte ik me meer dan ooit aan haar vast. Zelfs de kleinste woordenwisseling kon ik niet verdragen. Ik was zo wankel en kwetsbaar dat een hechte band met haar voor mij levensnoodzakelijk was en net dat legde een ongelofelijke druk op onze relatie. Het gevoel van afstand – zelfs fysiek – is trouwens nog steeds lastig voor mij. Ga ik ergens naartoe, dan laten mijn vrouw en ik elkaar de hele tijd weten dat alles oké is en dat ik veilig ben aangekomen of weer naar huis vertrek, een extra houvast waar ik gewoon nood aan heb.”

Het eerste gezicht

Door het ongeval was mijn gezicht zwaar beschadigd, en daar draag ik nog steeds de gevolgen van. Naast mijn rechteroog heb ik een deuk waar ooit mijn slaap zat, ik kan mijn linkeroog niet meer sluiten, ik heb nog steeds moeite met het uitspreken van de letter p en glimlachen lukt me alleen als ik mijn tanden op mekaar klem. Maar ik kan tenminste opnieuw glimlachen én ik kan vlot en duidelijk spreken. Mijn gezicht werd onder handen genomen door een team faciale chirurgen die het opnieuw symmetrisch maakten. Levensbelangrijk vind ik dat. Want als ik een ding heb gemerkt: mensen reageerden heel wantrouwig als ze mij zagen, zeker in het begin. Ik zag hen bijna letterlijk denken ‘Wat is er met die man? Kunnen we die nog wel vertrouwen? Is die wel oké? Wat is daarmee gebeurd?’ Zeker bij jonge kinderen merkte ik een terughoudende reactie. Maar ik begrijp dat wel: we schatten de betrouwbaarheid van iemand in op basis van de eerste indruk, en dat gaat vaak over het gezicht. Of dat ook een correcte manier is om iemand in te schatten, daar twijfel ik sterk aan, maar we doen het wel. Dus besloot ik mijn woordkeuze aan te passen en zo accuraat mogelijk te maken, zodat mensen meteen beseften dat ik wel nog bij de pinken ben.”

Staande ovatie

Als ik een ding heb beseft sinds mijn ongeval, is het dat ik ongelooflijk goed omringd ben. Mijn vrouw, mijn twee dochters, mijn familie. Maar ook mijn vrienden die mijn vrienden zijn gebleven. Ik kan echt zeggen dat ik geen enkele vriend heb verloren. Ik speel in een band en die mensen stonden er echt voor mij, net als mijn collega’s. Mijn plek in de band is zelfs vrijgehouden, ondanks mijn lange afwezigheid. Tuurlijk heeft iemand anders een tijdlang basgitaar gespeeld, maar het was meteen duidelijk dat ik weer mocht meedoen als het beter met me ging. Al was het niet zo vanzelfsprekend om opnieuw mee te doen. Niet alleen kon ik motorisch nog maar moeilijk spelen, ik wist ook bijna niets meer – hoewel ik vroeger alles vanbuiten kende. Maar mijn band gaf me de tijd én de hulp om alles opnieuw te leren. Een van de eerste sociale dingen die ik deed toen ik na een jaar in het revalidatiecentrum weer thuis was, was gaan repeteren. In het begin waren dat vijf nummers en was ik alweer weg. Maar intussen kan ik opnieuw optreden. Dat ik het niet droog heb kunnen houden toen ik die eerste keer weer op een podium stond, kun je wel begrijpen, zeker? En al zeker toen ik een staande ovatie kreeg.”

Niet boos

“Ik ben niet boos op de vrouw die het ongeval veroorzaakte. Het brengt me geen voordeel, het kost alleen maar energie”

Soms vragen mensen me of ik de vrouw die het ongeval veroorzaakte niet wil ontmoeten. Ze is honderd procent aansprakelijk, en dat is terecht. Ze heeft een fout gemaakt en daar is ze verantwoordelijk voor. Maar haar ontmoeten, daar hoeft niet voor mij. Ooit sta ik er wel voor open misschien, maar ik heb voorlopig geen energie om te investeren in haar. Ik heb er geen behoefte aan. De bereidheid groeit, maar mijn focus is nog te veel gericht op andere dingen. Niet dat ik boos ben, helemaal niet. Ik wil zo verwijtloos mogelijk in het leven staan. Op wie zou ik boos moeten zijn? Op die vrouw zelf? Op haar omgeving die haar niet tegenhield zo dronken in de auto te kruipen? Op onze overheid die fietsers in de openbare ruimte niet beter beschermt? Op mensen die geen rekening houden met elkaar? Dat doe ik niet. Dat wil ik niet, het brengt me geen voordeel. Integendeel: het kost me energie.”

Optimist

Hoe ik naar de toekomst kijk? Positief! Mijn levensverwachting is nog dezelfde als daarvoor, al doen dokters daar geen bindende uitspraken over, natuurlijk. Ik geniet van het nu. Ik ben ongelooflijk blij dat ik intussen weer halftijds kan werken als leerkracht levensbeschouwing. Ik kan opnieuw tien kilometer lopen – al noem ik het liever veredeld snelwandelen – en ik droom stiekem van een tweede marathon. Dokters zeggen niet dat het me niet zou lukken, ze zeggen alleen dat nog niemand me het heeft voorgedaan. Dus hoop ik dat ik er voor mijn vijftigste nog een keer in slaag. Als dat lukt, dan mag de gazet komen. (lacht)

Maar ik schreef ook een boek over mijn verhaal en wil andere mensen positief beïnvloeden en stimuleren. Ik ben een grote optimist – een realistische, geen naïeve – en zo kan mijn ongeval, oftwel mijn extreme, ‘banale’ pechsituatie zoals ik het noem, toch een positief doel krijgen.”

Het hele verhaal van Stijn Geerinck kun je lezen in zijn boek ‘Tussen hoop en hersenletsel’, uitgeverij Garant, € 22,50 bij Standaard Boekhandel.

Uit: Libelle 44/2019 – Tekst: Lies Van Kelst

Meer openhartige verhalen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)