Als je elke dag tegen je zin gaat werken: “Zodra ik ’s ochtends in de auto stapte, kreeg ik al buikpijn”

Als je elke dag tegen je zin gaat werken: "Zodra ik ’s ochtends in de auto stapte, kreeg ik al buikpijn"

Natuurlijk zijn we allemaal blij dat de vakantie binnenkort begint, maar voor deze lezeressen zijn die paar weken vrij bijna van levensbelang. Hoe zwaar weegt het om je elke dag naar je job te slepen?

’s Morgens al de uren aftellen tot je weer naar huis kunt

Lezeressen getuigen:

Lucette voelt dat een burn-out op de loer ligt

“Door alle besparingen kunnen we niet meer de hulp bieden die nodig is. Dat weegt zó op me”

Lucette (43): “Ik heb veel moeite gedaan voor mijn job als maatschappelijk werker. Misschien blijf ik er daarom zo halsstarrig aan vasthouden. Ik ben gaan studeren toen ik al werkte en zwanger was van m’n tweede kind. Vijf jaar lang combineerde ik werk en gezin met een opleiding. Het was zwaar, maar ik was gemotiveerd, vastbesloten om dat diploma te halen. Mijn geluk kon dan ook niet op toen ik nadien deze job vond. Ik begeleid kinderen en jongeren die het moeilijk hebben, en vanaf dag één deed ik dat ongelooflijk graag. Maar de voorbije jaren is er zoveel veranderd. De sector is hervormd, er kwamen besparingen. Wij kregen alsmaar taken bij, terwijl er steeds meer kinderen zijn die begeleiding nodig hebben. We werken ons uit de naad om hen allemaal op te vangen, maar dat lukt gewoon niet. De wachtlijsten worden langer, de druk op onze schouders groter.

Het weegt enorm op me, en ik voel dat ik eraan onderdoor ga. Fysiek ben ik helemaal op. Ik voel me slecht, heb continue spierpijn. Ik ga met de fiets naar het werk, maar dat kost me steeds meer moeite, en ik overweeg vaak om gewoon de auto te nemen. Ook mentaal zit ik op het randje. Ik ben gespannen, slaap slecht, moet elke ochtend mijn moed bij elkaar rapen om uit bed te komen. Maar als ik thuis blijf, laat ik de kinderen in de steek, faal ik als maatschappelijk werker. Zo voel ik dat toch aan.

Gelukkig krijg ik veel steun van mijn diensthoofd. Bij haar kan ik mijn hart luchten, en dat doet deugd. Maar aan het systeem kan zij natuurlijk ook niets veranderen. Ook mijn gezin ondersteunt me heel erg. Zij hebben er alle begrip voor dat ik tijdens de week al eens huishoudelijke taken laat liggen, en in het weekend doen we samen zoveel mogelijk dingen waar ik energie van krijg. Zo laad ik me telkens weer een beetje op voor de werkweek.

Ik hoop dat het beter wordt, dat ik weer wat meer energie zal krijgen en me terug beter in mijn vel zal voelen. Anders ga ik toch echt ander werk moeten zoeken, in een andere sector. Het zou met veel spijt in het hart zijn. Ik heb zoveel moeite gedaan voor deze job. Maar op deze manier hou ik het écht niet lang meer vol.”

Ilse werd gepest door haar collega’s

“Vijf jaar heb ik het getreiter volgehouden. Nu heb ik een andere job, verder weg en minder vakantie, maar ik vertrek elke ochtend met een glimlach”

Ilse (39): “Mijn job had veel voordelen. Ik woonde vlak bij het bedrijf, had een goed loon en veel vakantiedagen. Ideaal, als jonge mama. Daardoor ben ik er veel langer gebleven dan ik eigenlijk had moeten doen, want ik zat er écht niet op mijn plaats. Ik was als nieuwkomer terechtgekomen in een hechte groep, en om een of andere reden konden de collega’s me niet aanvaarden. Het neigde zelfs naar pesterijen. Ze noemde me de bitch, vertelden leugens over me, zetten anderen tegen me op… Eerst dacht ik nog dat het wel zou beteren, maar het werd alleen maar erger. En ik voelde me steeds slechter. Ik werd één brok zenuwen, liep voortdurend op de toppen van de mijn tenen. Ik snauwde mensen af zonder reden, en barstte soms zomaar in huilen uit.

Op den duur zat ik al van vrijdagavond te stressen om maandag weer aan het werk te gaan, en begonnen mijn handen te trillen als ik nog maar in de buurt van de firma kwam. Vijf jaar heb ik het volgehouden, toen ben ik ingestort, en heb ik beslist om ander werk te zoeken. Het was niet evident, ik voelde me intussen zo slecht dat ik nauwelijks energie had om te solliciteren. Maar uiteindelijk vond ik iets nieuws, en wát een verschil was dat. Al na een paar weken zat ik beter in mijn vel.

Mijn zoon zei letterlijk: we hebben een nieuwe mama. Ik denk dat ik pas toen écht besefte hoe diep ik had gezeten. Intussen zijn we twee jaar verder. Ik moet nu elke dag door de file en heb minder verlofdagen. Maar ik neem het er allemaal met plezier bij. Ik vertrek elke ochtend met een glimlach naar het werk, en dat is voor mij veel belangrijker dan al die andere voordelen.”

Katrien gaat ten onder aan de kille sfeer op de werkvloer

“De hele dag door zitten mijn collega’s te zuchten en te blazen. Ik vind het verschrikkelijk. Er mag toch eens gelachen worden?”

Katrien (49): “Toen de vorige firma waar ik werkte failliet ging, moest ik noodgedwongen van job veranderen. Wat een ommekeer was dat. Op mijn vorig werk was iedereen gemotiveerd, werd regelmatig gelachen. Hier zitten collega’s de hele dag door te zuchten en te blazen. De sfeer zit diep onder nul. Ik vind het verschrikkelijk. Elke dag opnieuw moet ik me opladen om naar het werk te komen, praat ik mezelf moed in, zeg ik dat het wel zal meevallen, neem ik me voor om me er gewoon niks van aan te trekken.

Maar elke avond keer ik uitgeblust terug naar huis. Ik zoek ander werk, maar het uitzendkantoor windt er geen doekjes om: zij zeggen dat ik te oud ben, en heel moeilijk iets zal vinden. Toch geef ik de moed niet op. Op elke vacature die ik zie, reageer ik. Alles is beter dan dit.”

Nancy kreeg een andere functie na haar ziekteverlof. Sindsdien is ze al haar werkvreugde kwijt

“Toen ik opnieuw ging werken, kreeg ik een plaatsje op een onbekende verdieping, tussen onbekende mensen. Het leek een slechte droom”

Nancy (60): “Ik werk al veertig jaar voor hetzelfde overheidsbedrijf. Ik ben onderaan de ladder begonnen, en heb me door de jaren weten op te werken tot een mooie functie. Het gaf me zoveel voldoening: ik was goed in wat ik deed, had een fantastisch team en kreeg veel respect van collega’s. Tot ik kanker kreeg. Van de ene dag op de andere moest ik stoppen met werken, en belandde ik in ziekteverlof. Het was een vreselijke tijd. Ik ben zo’n type dat altijd vooruit wil, dat niet kan stilzitten, en nu moest ik noodgedwongen aan de kant gaan staan. Gelukkig lieten mijn geweldige collega’s me geen moment los. Ze hielden me op de hoogte van wat er gebeurde, en stuurden regelmatig kaartjes of geschenken om te laten weten dat ze me misten.

Ik keek er zo naar uit om terug met hen te kunnen samenwerken. Mijn geluk was dan ook groot toen ik na elf maanden te horen kreeg dat ik snel weer aan de slag zou kunnen. Toevallig gaf een van de collega’s rond die tijd een verjaardagsfeest, en ik zag al helemaal voor me hoe ik daar aan iedereen het goede nieuws zou vertellen. Maar op datzelfde feest, nog voor ik de kans had om iets te zeggen, nam mijn manager me apart. Hij zei dat er besparingen waren geweest, en dat mijn functie was opgeheven. Ik zou niet meer samenwerken met mijn eigen team, maar ingezet worden voor losse projecten. Ik wist niet wat ik hoorde. Ik had er zó naar uitgekeken om terug te kunnen werken. En nu dit?

De eerste dag na mijn terugkeer was vreselijk. Ik had me zo voorgesteld hoe ik eerst een woordje zou zeggen tegen mijn mensen, hen zou bedanken voor de steun, om er dan samen weer in te vliegen. In plaats daarvan moest ik op een onbekende verdieping gaan zitten, tussen mensen die ik niet kende, en getallen overtikken van de ene kolom naar de andere. Het leek wel een slechte droom. Na een paar weken was het project afgerond en werd ik weer voor iets anders ingezet. Zo ben ik nu al acht jaar bezig met het vullen van de gaten. Terug helemaal onderaan de ladder. Het heeft me heel ongelukkig gemaakt.

Waar ik vroeger zo trots was op wat ik deed, voelde ik me nu een nietsnut, en verloor ik al mijn zelfvertrouwen. Elke dag opnieuw telde ik de uren af tot ik weer naar huis kon. Intussen heb ik gemerkt dat er af en toe wel boeiende projecten tussen zitten, en daar trek ik me aan op. Maar ik blijf met tegenzin vertrekken. Nog enkele jaren en ik kan met pensioen. Het is zo’n domper. Nooit had ik verwacht om mijn carrière op deze manier te moeten eindigen.”

Caroline ergert zich aan het vele papierwerk

“Een verpleegster die de helft van de dag aan een bureau zit, dat is toch absurd?”

Caroline (47): “Verpleegkunde is voor mij meer dan een beroep. Het is een passie. En toch valt het me laatste jaren steeds zwaarder om mijn werk te doen. Er is zoveel veranderd. Vroeger hadden we tijd voor onze patiënten. We konden een praatje maken, naar de mensen hun verhaal luisteren. Voor veel patiënten is dat heel belangrijk. Nu gaat het alleen nog maar over besparingen. We moeten steeds meer doen met minder middelen. Neem alleen nog maar het computerwerk. Vroeger zaten wij zelden aan de computer, tegenwoordig moet alles geregistreerd worden.

Ik heb het onlangs eens bijgehouden, en ik ben daar gemiddeld 3,5 uur per dag mee bezig. Dat is toch absurd! Ik ben geen verpleegkundige geworden om aan een bureau te zitten, ik wil voor mensen zórgen, en daar blijft nauwelijks tijd voor over. Ik heb het daar een periode heel moeilijk mee gehad, ik heb zelfs overwogen om ermee te stoppen. Het werd me te veel. Ik was altijd moe, ik sliep slecht, was vaak ziek. Maar de liefde voor het vak bleek toch te groot. Uiteindelijk heb ik besloten om 75 procent te gaan werken, en dat gaat voorlopig goed.

Maar ik maak me grote zorgen over de toekomst. Er studeren steeds minder verpleegkundigen af, terwijl er alsmaar meer mensen zorgbehoevend worden. Hoe gaan we dat doen? Nog harder werken? Nog minder tijd voor de patiënten? Wie gaat dat volhouden?”

 

Sofie werd tegengewerkt door haar baas

“Ik doe mijn werk en hou verder mijn mond. Dat is de enige manier om de sfeer een béétje leefbaar te houden”

Sofie (46): “Op het werk ben ik afgevaardigde van de vakbond. Dat heb ik altijd ernstig genomen. Ik zweeg niet, ik kwam op voor mijn collega’s. Alleen kon mijn baas – die nog heel erg van de oude stempel is – dat niet appreciëren. Hoe meer ik mijn collega’s verdedigde, hoe meer hij me begon te pesten. De taken die ik het liefste deed, gaf hij aan iemand anders, hij plaatste me over naar een ander filiaal, weg van de collega’s waar ik het zo goed mee kon vinden…

Het was puur machtsmisbruik. Ik leed daar echt onder. ‘Zoek toch ander werk’, zeiden mensen me vaak. Maar ik ben chronisch ziek, ik moet regelmatig naar het ziekenhuis voor behandelingen en onderzoeken. Welk bedrijf zou mij aannemen? Uiteindelijk ben ik geplooid. Ik heb leren zwijgen. Nu doe ik mijn werk en hou ik verder mijn mond. Dat is helemaal niet wie ik ben, maar het is de enige manier om de sfeer een béétje leefbaar te houden.”

Belgen zijn volhouders

Wat opvalt in de getuigenissen, is dat mensen niet snel van job veranderen, zelfs niet wanneer ze elke dag tegen hun zin vertrekken. Een fenomeen dat ook terugkeert in de onderzoeken van HR-dienstverlener SD Worx, zegt Lorenzo Andolfi:

“Belgen werken gemiddeld twaalf jaar in dezelfde firma. Dat is opvallend langer dan in onze buurlanden, waar het gemiddelde op zeven jaar ligt. Een eenduidige verklaring hiervoor is er niet. Mogelijk speelt onzekerheid een rol, de angst dat het elders niet beter zal zijn. Ook een hoog loon of een mooi beloningspakket kan mensen ervan weerhouden om een nieuwe job te zoeken. Anderen wachten tot ze ontslagen worden, om niet zonder inkomen te vallen en een ontslagvergoeding te krijgen.”

Lorenzo Andolfi van SD Worx:
“Meer geld leidt niet per se tot meer motivatie. Omgekeerd is het wel zo: wie te weinig verdient, is minder gemotiveerd”

Dit maakt ons gelukkige werknemers

Wat maakt werknemers tevreden en geëngageerd? Dit is de top 5 volgens Lorenzo Andolfi, HR-dienstverlener SD Worx:

1. Job fit

Lorenzo Andolfi: “Dit gaat over de afstemming van je competenties en je voorkeuren op je job. Anders gezegd: dat je mag doen wat je graag doet en waar je goed in bent.”

2. Erkenning krijgen

Lorenzo Andolfi: “We voelen ons erkend als er naar ons wordt geluisterd, als we worden geïnformeerd en ondersteund. Hierdoor voelen we ons gewaardeerd, en dat blijkt heel bepalend voor onze motivatie.”

3. Zinvol werk

Lorenzo Andolfi: “We willen graag voelen dat we een verschil maken, dat we iets betekenen in het grote geheel van de organisatie, of zelfs van de maatschappij. Hierbij speelt ook persoonlijkheid een rol. Als je bij de vuilniswagen werkt, kun je dat beschouwen als heel vies werk, of net als heel nuttig, omdat je de stad proper maakt. Ook belangrijk: we moeten ons kunnen vinden in de missie van het bedrijf. Als je veel van dieren houdt, zul je het werk in een bonthandel nooit als zinvol beschouwen.”

4. Groeimogelijkheden

Lorenzo Andolfi: “We vinden het belangrijk om te kunnen vooruitgaan, ambities te kunnen verwezenlijken, en voldoende uitdaging te krijgen. Langs de andere kant mag de uitdaging ook niet té groot zijn, want dat geeft stress en kan leiden tot burn-out.”

5. Loon

Lorenzo Andolfi: “Financiële zekerheid is belangrijk voor de tevredenheid, maar minder voor het engagement. Meer geld leidt dus niet noodzakelijk tot een hogere motivatie. Omgekeerd is het wel zo dat wie te weinig verdient, zich ontevreden zal voelen, en dus ook minder gemotiveerd zal zijn.”

Tekst: Evelien Roels. Beeld: Getty Images

Lees ook:

 

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)