Mijn verhaal: Jacqueline stottert al zolang ze zich kan herinneren

Mijn verhaal: Jacqueline stottert al zolang ze zich kan herinneren
A woman stands in a red coat, over looking a foggy, snow covered landscape.

 

Jacqueline (31): “Of ik even bij de bakker brood wilde halen. Ik was negen toen mijn moeder me een briefje toestak waarop te lezen stond wat ik precies moest meebrengen. Dat deed ze altijd. Zo hoefde ik niet zelf te praten. Maar die ene keer stak ik het briefje zo diep mogelijk in mijn jaszak toen ik naar de bakker wandelde. Ik was het beu om te doen alsof ik niet kon praten en groot genoeg om zelf twee bruine broden te vragen. Dus stapte ik zelfverzekerd de winkel binnen. De bakkersvrouw keek me aan en vroeg wat ik wilde. Ik was bloednerveus. En bleef al meteen hangen bij het tweede woord. Het duurde een eeuwigheid vooraleer ik ‘bruine broden’ uitgesproken kreeg. De twee heren die naast me stonden begonnen te lachen. Als klap op de vuurpijl vroeg de bakkersvrouw of ik het nog eens kon herhalen. Totaal overstuur zocht ik het briefje in mijn jaszak. Ik gaf het haar. ‘Dat is tenminste duidelijk’, lachte ze me toe. Even later stond ik volledig van de kaart op de stoep. Met een zak vol brood en een bonkend hart keerde ik naar huis terug. Ik was zo kwaad op mezelf. En op het feit dat ik anders was dan de rest. Al zolang ik het me kan herinneren, stotter ik.

“Ik kies op restaurant altijd soep. Niet omdat ik dat graag lust, maar omdat ik dat kan uitspreken zonder te haperen.”

‘Het is maar een fase’, zei de kinderarts toen mijn ouders voor het eerst met mijn stotterprobleem bij haar aanklopten. Maar die fase bleef maar duren en zelfs een logopediste en ademhalingsoefeningen veranderden niets aan het probleem. Ik bleef maar over die rotletters struikelen. En voelde me steeds vaker het buitenbeentje. Mijn stotteren bepaalde mijn lagereschooltijd volledig. Nooit stak ik mijn vinger op, ook al wist ik het antwoord. En bij mijn eerste spreekbeurt maakte mijn lichaam koorts, puur van de stress. Niet onterecht trouwens, want zodra ik de speelplaats opkwam, werd ik uitgelachen. ‘Stottertrut’, ik heb het zo vaak moeten horen. Naar een sportclub of jeugdbeweging gaan, leek me pure horror. Alleen al de gedachte dat ik telkens weer mezelf zou moeten voorstellen, deed me huiveren. Dus bleef ik maar thuis. Heel vaak in mijn kamer. Want daar was het veilig en kon ik wel mezelf zijn.

En toen kwam mijn eerste dag op de middelbare school eraan. Een nieuwe school. Een nieuwe start. Ik was intussen al enkele jaren in therapie. ‘Waarom speel je geen open kaart?’, vroeg de therapeute me op een dag. ‘Waarom vertel je in je nieuwe klas niet meteen dat je stottert?’ Ik verklaarde haar gek. Me meteen als gemakkelijk doelwit voorstellen? Totdat die toch niets te verliezen had steeds groter werd. ‘Ik ben Jacqueline en ik stotter’, stelde ik mezelf voor. Met een klein hart en knikkende knieën. Maar iedereen reageerde normaal. De juf vroeg me om meer tekst en uitleg. Ik kreeg zelfs de kans om te vertellen hoe ik me voelde als ik weer een stotterpiek had. De hele klas zat muisstil te luisteren. Nadien kwam enkele leerlingen me vragen of ze me ergens mee konden helpen. Huilend fietste ik naar huis terug. Niet van verdriet of teleurstelling. Maar ik was zo ongelofelijk opgelucht. Eindelijk werd ik aanvaard zoals ik was. Stilaan durfde ik mezelf te zijn. Meer nog, ik durfde zelfs om mezelf te lachen als ik stotterde. Humor werd mijn wapen, al bleef ik ervaren dat je sowieso minder kansen krijgt als je stottert.

Na mijn studies deed ik ontelbare sollicitatiegesprekken, en telkens werd ik met een smoes afgewimpeld. Niemand durfde me te zeggen dat ik niet aangenomen werd omwille van mijn stotteren. Maar ik wist wel beter. Tot een hotel me de kans gaf om als receptioniste te beginnen. Een baan waarin ik elke dag opnieuw mensen te woord zou moeten staan. Het voelde als een overwinning. En stilaan kreeg ik ook meer controle over dat stotteren. Ook al beïnvloedt het nog vaak mijn gemoedstoestand en doen en laten. Het blijft verschrikkelijk als anderen mijn zinnen afmaken of wegkijken als ik nog maar eens over een woord of klank struikel. Een telefonische afspraak laat ik nog steeds liever door anderen maken en op restaurant zal ik nooit een croque monsieur bestellen, puur omdat ik het niet over mijn lippen krijg. Geef mij dan maar soep. Niet omdat ik dat zo graag eet, maar gewoon omdat ik het zonder stotteren kan uitspreken.

Zulke kleine situaties bewijzen dat stotteren nog steeds wordt onderschat. Daarom was ik ook zo blij toen de film ‘The King’s Speech’ over de stotterende koning George VI in de zalen draaide. Eindelijk werd er dankzij de film op een normale manier over stotteren gepraat. Met respect. En dat gevoel heb je zo nodig als je stottert. Ik heb veel te lang gedacht dat ik er niet toe deed. Dat ik niet goed genoeg was. Intussen besef ik dat het stotteren gewoon bij mij hoort. Ik heb het leren accepteren. Ik ben er nog niet helemaal, maar steeds vaker denk ik: ‘Ik stotter, en dan? Neem me zoals ik ben of laat me met rust.’ En dat heeft mijn leven zoveel gemakkelijker gemaakt.”

(Interview: Barbara Claeys)

Lees nog meer:

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)