Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Interview Herman Van Veen

Door De Redactie
Hij werd 65, en schreef deel 1 van zijn autobiografie. Voor redacteur Kaat de aanleiding voor een babbel met een jeugdicoon, een kunstenaar die zichzelf op tijd en stond heruitvond. Ernstig of prettig gestoord? Hmm...

Quote van de week: "Ik praat tegen alles. Ik ben wellicht een beetje een vreemde man."

 

Uw autobiografie leest als een ode aan de loyaliteit: aan de vrienden van het eerste uur, aan collega’s, aan geliefden van vroeger. Elke keuze is goed, zelfs als het achteraf gezien de verkeerde was?

"Ja, al vind ik ‘verkeerde keuze’ niet helemaal juist geformuleerd. Wat ik geleefd heb, is dat mensen elkaar kunnen ontmoeten in een fase van hun leven waarin ze nog niet beseffen wie ze werkelijk zijn. Laat ik het over mezelf hebben. Ik was al sinds mijn vierde verliefd op het vriendinnetje van de kleuterschool, en tot de dag dat we trouwden, ging ik onderwijzer worden. Daar had ik zelf ook nooit aan getwijfeld. Zij had zich dus een leven voorgesteld met een man die om vijf uur thuiskwam, en ik ging plots heel andere dingen doen, was vaak van huis, aan het optreden. Dat kan je niet voorzien en tegelijk kan je niet verwachten dat de ander je wel zal volgen. Maar wat voor mij nooit verdwijnt, is de reden waarom je eerst zo op elkaar gesteld was."

Heeft de scheiding achteraf gezien een andere vader van u gemaakt?

"Zeker, omdat ik een ander besef heb gekregen van aanwezigheid. Een scheiding zorgt ervoor dat je je kinderen nooit meer als vanzelfspreken ziet. Je wordt gedwongen je agenda aan te passen, niet alleen maar die route te volgen die jij voor ogen hebt. De handrem zit erop. Mijn vader was arbeider, hij ging ’s morgens vroeg weg, kwam ’s avonds tegen etenstijd thuis, sliep na het eten een uurtje en dook dan in het verenigingsleven. Ik heb mijn vader wel tien keer minder gezien dan mijn kinderen mij, en dat komt onder meer door die scheiding, dat besef ik nu ik ouder ben."

Wat me verbaasde, was dat u zich al sinds uw zeventiende voor Unicef inzet. Hoe kwam dat?

"Ik had een interview gelezen waarin jongeren werden opgeroepen om zich aan te sluiten, en daar heb ik toen uitvoerig met mijn vader over gepraat, omdat ik dacht: een noodorganisatie allemaal goed en wel, maar hou je daarmee niet ook iets in stand? Maak je mensen niet afhankelijk van hulp? Da’s een heel interessante discussie en ik herinner me dat mijn vader zei: "Word gewoon vrijwilliger, leer het kennen, en dan zie je wel weer." Dus werd ik lid van het Unicef-comité in Utrecht, en daarna ben ik in de hiërarchie opgeklommen, van vrijwilliger tot bestuurslid en ambassadeur. Uiteindelijk heb ik die functie overgedragen aan mijn "zoon", Alfred Jodocus Kwak."

Lees het volledige interview met Herman Van Veen in Libelle 20 (20 mei 2010)