Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Stand-upcomedian Henk Rijckaert pleit voor onnozelheid

Door De Redactie

Hij zít vaak, op die sofa in ’Zonde van de Zendtijd’ op Canvas. Vroeger stond hij gewoon recht, voor de klas. Maar het liefst ligt Henk plat. Van het lachen.

Lees het volledige interview met Henk Rijckaert in Libelle 5 (2 februari 2012)

”Vroeger zei iedereen: ’Je bent een onnozelaar.’ Nu ben ik stand-upcomedian. Daar zit niet veel verschil tussen, alleen de titel is anders. Eerbiedwaardiger. Maar ik had al vroeg door dat ik graag mijn mening wou verkondigen en grappig wou zijn. Ik speelde als kind op familiefeestjes al sketches van Urbanus na. En ik wilde striptekenaar worden. Ik tekende graag en was veel te verlegen om op een echt podium te willen staan. Maar het was toch ook verhaaltjes vertellen, zoals ik nu doe.”

Je hebt een diploma industrieel ingenieur landbouw. Hoe kom je daarmee op het podium en tv terecht?

”Op kot in Gent ontdekte ik de Lunatic Comedy Club. Daar was elke dinsdagavond een comedy podium. Drie kwartier improvisatie, daarna stand-up acts. Ik heb er iedereen zien passeren, van Wouter Deprez over Urbanus tot Kamagurka. Ik ben al improviserend gestart, maar kreeg al snel zin in stand-up. Mensen zien een ingenieursstudie als saai, gestructureerd en niet creatief. Incompatibel met comedy, dus. Maar dat idee klopt niet. Een goede ingenieur is creatief en stelt alles in vraag. Ook zichzelf en zijn eigen bevindingen. Hij moet observeren, demonteren en daarna alles weer in elkaar zetten om zo tot nieuwe dingen te komen. Net wat een comedian ook doet.”

Het is de ideale opleiding, dus?

”Dat nu ook weer niet. (lacht) Het was best saai, soms. En ik ben geen ingenieur geworden, omdat de fun die wel degelijk in de studie zit, er bij de meeste jobs snel uit gaat. Fantasie is voor ingenieurs jammer genoeg niet altijd een arbeidsvoorwaarde. Ik heb een tijdje lesgegeven in een middelbare school, omdat dat me tijd gaf voor comedy. Bovendien kon ik er mijn creativiteit in kwijt. Als leraar krijg je een aantal bouwblokjes om mee te spelen. Ik gaf wetenschappen, weliswaar een ernstig vak, maar je kunt het op 1001 manieren benaderen. Ik gaf met plezier les, en heb als comedian veel geleerd voor de klas. Voor een ongeboeid publiek staan. (lacht) En een idee uitwerken tot er iets interessants of grappigs uitkomt.”

Je verlegenheid is ondertussen overgegaan?

”Ja, vanuit een enorme goesting om mijn ding te doen. Mijn eerste keer improvisatietheater was een openbaring. Ik wist meteen: hier ben ik al mijn hele leven naar op zoek. Ik kon grappig zijn en verhaaltjes vertellen. Ik hield ook van dat improviseren. Alles ontstaat op het moment zelf. Je hebt vooraf geen werk, maar de reactie is direct. Voor een luie mens is dat ideaal. (lacht) Het is ook fascinerend. Je krijgt suggesties van het publiek en moet razendsnel verbanden leggen. Je hebt een associatieve kop nodig.”

Is dat genoeg om een hele comedy-carrière op te bouwen?

”Nee. Je moet ook goed kunnen observeren. En je moet de ambitie hebben om je ego te laten strelen door een publiek, denk ik. Heel wat mensen zijn grappig, maar hebben geen talent voor comedy, omdat ze niet op een podium willen staan. En er is een groot verschil tussen een mop vertellen voor drie of voor driehonderd mensen. Dat heb ik geleerd door langzaam te groeien. Tegelijkertijd met de ontwikkeling van stand-up in Vlaanderen, eigenlijk. Ik heb de tijd gekregen om te experimenteren en mijn eigen stijl te ontwikkelen.”

 

Partner Content