Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten
© Maarten De Bouw

Zes 70-plussers getuigen: “Op pensioen? Geen denken aan!”

Door Diny Thomas

Ze voelen zich jong, willen iets betekenen, of nog een centje bijverdienen. Yvonne, Willy, Chris, Wilfried, Lieve en Daniël zijn op pensioen en hoeven dus niet meer te werken, maar doen het toch. Redactrice Diny ging een tijdje geleden langs bij deze straffe senioren om te luisteren naar hun verhaal.

Yvonne staat al meer dan 65 jaar achter de toog in café De Nachtegaal in Ramsel


Yvonne (89): “Al meer dan zeventig jaar sta ik achter de toog. Mijn ouders hebben altijd een café gehad in Beerzel, dus ik ben opgegroeid tussen de koffies en de pinten. Op mijn vijfentwintigste ben ik zelf begonnen met De Nachtegaal, en ik ben er nooit meer weggegaan. In september word ik negentig, maar als ik kan, dan blijf ik werken tot ik honderd ben. Niet voor het geld, maar voor de gezelligheid. Ik zou niet weten wat ik anders de hele dag zou moeten doen. Mijn man is twintig jaar geleden gestorven en mijn kinderen zijn al lang het huis uit. Dus mijn klanten zijn een beetje mijn familie. Mijn café is mijn living, zeg ik altijd. Ik sla een babbeltje met de mensen, leg een kaartje of ik borduur. Elke dag opnieuw, want het café is altijd open. Zelfs op Kerstmis, Nieuwjaar en Pasen.

“Mijn café is mijn living en mijn klanten zijn mijn familie. Ik weet niet wat ik zonder zou moeten doen.”

Meestal ben ik wakker rond vijf uur ’s morgens. Dan was ik me en poets ik het café. Niet veel later zitten de eerste klanten al aan de toog. Ik moet wel toegeven dat ik niet alles kan zoals twintig jaar geleden. Vorig jaar ben ik gevallen en sindsdien heb ik wat last van mijn rug en mijn benen. Naar de kelder lopen voor een bak bier, dat lukt niet meer. Maar de klanten helpen graag een handje. Ze vullen de frigo’s aan, nemen zelf hun pintje of zetten hun eigen kopje koffie. De normaalste zaak van de wereld. Maar mijn verstand, dat werkt nog wél even goed. De dag dat ik definitief de deuren sluit, moet ik al echt ziek zijn. Ik mag er niet aan denken dat ik ooit naar een rusthuis moet. Als het van mij afhangt, dan sterf ik achter mijn toog.”

Willy geeft al 55 jaar wiskunde in het Sint-Pieterscollege in Jette

Willy (75): “Mijn werk is mijn leven, mijn passie. Ik geef al vijfenvijftig jaar les in dezelfde school en doe het nog altijd even graag. Voor de goede rekenaars: ja, ik was vijftien toen ik mijn diploma van het middelbaar op zak had, en twintig toen ik afstudeerde als licentiaat. Ik was een vroege vogel. (lacht) Maar zelfs na al die jaren kan ik niet stoppen. Rond mijn pensioenleeftijd, zo’n tien jaar geleden, dreigde er een tekort aan wiskundeleerkrachten en vroegen ze mij of ik niet nog een jaartje wilde blijven. Daar heb ik geen seconde over getwijfeld. Als gepensioneerde mocht ik maar zes uren per week lesgeven, anders verloor ik mijn pensioen. Ik begon met vier uren, maar dat werden er al snel meer toen een collega ziek werd. Eigenlijk mocht het niet, maar daar trok ik me niets van aan. Zó graag doe ik het dus! Dit schooljaar geef ik dertien uren per week les. Ik ben de oudste leerkracht in de school, zogezegd nog van de oude stempel. Maar de leerlingen respecteren mij, en dat is fijn. In mijn klas is er orde en discipline, en dat weten ze maar al te goed.

“Ik ben de oudste leerkracht in de school, zogezegd nog van de oude stempel. Bij mij is er orde en discipline.”

Soms vragen mensen me hoe ik het volhoud, want lesgeven is niet alleen mentaal belastend, het is ook een fysieke inspanning. Zeker als wiskundeleerkracht, want ik sta de hele dag aan het bord. Mijn wapen: elke dag een uurtje lopen. Het geeft me tonnen energie, en zo blijf ik fit. Wanneer ik mijn krijtje definitief neerleg, en de deur van de klas voor altijd achter me dichttrek, dat weet ik niet. Ik weet wel dat ik niet plots zal stoppen. Eerst stilletjesaan afbouwen, en dan zien we wel weer.”

Chris retoucheert bruidskleding in het Bruidsparadijs in Merksem

Chris (76): “Soms vergeet ik dat ik al zesenzeventig ben. Tussen al dat jong geweld is dat ook niet moeilijk. De bruidjes die hun jurken komen passen, mijn collega’s… het zijn allemaal jonge mensen die me meetrekken in hun enthousiasme. Maar ik doe mijn job ook echt graag, al mijn hele leven lang. Retoucheren is een vak apart, maar het mooiste dat er is. Want hoe je het draait of keert, het is ook dankzij die perfect zittende jurk dat een bruid de mooiste dag van haar leven beleeft. Magisch, vind ik dat. Intussen werk ik al tien jaar bij het Bruidsparadijs, en ik ben nog altijd dankbaar dat Marita en Dirk me tien jaar geleden een kans gaven. Ik besef heel goed dat het niet evident is om iemand op leeftijd in dienst te nemen, want het brengt natuurlijk risico’s met zich mee. Maar ze kunnen op hun twee oren slapen: van mij zijn ze nog lang niet af. Want wat zou ik anders de hele dag moeten doen? Mijn man heeft zelf z’n bezigheden, dus zolang ik het nog kan doen, blijf ik het ook doen. Ik doe niets liever.

“Als ik lang op mijn knieën moet zitten om zomen af te spelden, krijg ik last van spierpijn. Maar zolang het dat maar is…”

Maar ik moet toegeven dat het soms niet meer zo vlot gaat als twintig jaar geleden. Af en toe heb ik last van spierpijn, en dan vooral als ik veel op mijn knieën moet zitten om zomen af te spelden. Maar zolang het dat maar is. Vroeger werkte ik altijd van zeven uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds, maar nu stop ik meestal om half vijf. En ik werk niet meer voltijds – eerder vier dagen per week. In het hoogseizoen gebeurt het dat ik extra uren klop, want de jurken moeten klaar zijn voor de grote dag. Als er handen te kort zijn, weten ze dat ze me altijd mogen bellen. Ik ben misschien een uitzondering op de regel, want ik ken maar weinig zeventigplussers die nog werken. Voor het geld moet ik het niet doen. Mijn naaiatelier is mijn tweede thuis, een plek waar ik me goed voel.”

Wilfried rijdt nog elke dag met z’n taxi door de straten van Aalst

Wilfried (71): “Al jaren zeg ik, tot grote ergernis van mijn vrouw, dat ik over twee jaar ga stoppen. Maar ik kan geen afscheid nemen van mijn taxi, omdat ik het zo graag doe. Die sociale contacten, het autorijden, de toffe babbels, ik zou het voor geen geld van de wereld willen missen. Ik ben er heel toevallig ingerold: mijn buurman had een lift nodig, en ik had tijd. Het was zo’n plezante rit, dat ik dacht: waarom geen taxibedrijf beginnen? En voilà, zesentwintig jaar later doe ik het nog steeds. Het is elke dag opnieuw spannend, want ik weet nooit wie ik in mijn taxi krijg. Behalve als een van mijn vaste klanten me belt. Dan weet ik al meteen naar waar ik moet rijden: de kapper, de supermarkt of de bank.

“Die extra centjes komen goed van pas, want ik wil twee keer per jaar op reis gaan. Liefst zo ver mogelijk.”

De laatste jaren is er veel veranderd. Tegenwoordig krijg ik vaak de vraag of ik snel even langs de nachtwinkel wil passeren, om sigaretten of bier te halen. Een makkelijke klus, al begrijp ik niet dat sommige mensen vijftien euro extra willen betalen voor iets wat ze makkelijk zelf kunnen halen. Maar mij hoor je niet klagen. De centjes komen van pas. Ik hou van reizen, liefst zo ver mogelijk, en dat kost natuurlijk geld. Ik ben nog steeds aan het werk om twee of drie keer per jaar op reis te kunnen gaan. Maar het werktempo ligt niet meer zo hoog als voorheen. Enkele jaren terug reed ik minstens vijftien uur per dag rond – slapen deed ik tussendoor. Maar tegenwoordig durf ik steeds vaker ritten te weigeren, zeker ’s nachts. Ik ben al een keer bedreigd met een mes op mijn keel – als taxichauffeur weet je natuurlijk dat dat kan gebeuren. Die slechte ervaringen zijn uitzonderlijk en wegen niet op tegen al die leuke momenten die ik beleef in mijn taxi. Wanneer ik ga stoppen? Over drie jaar, denk ik. Maar ik moet er misschien geen einddatum meer op plakken, want – als mijn gezondheid het toelaat – blijf ik gewoon taxi van dienst.” (lacht)

Lieve werkt als publieksbegeleider in het M-Museum in Leuven

Lieve (77): “Jarenlang heb ik in het buitenland gewoond. Eerst in Moskou, later in Roemenië, Algerije, Finland en Peru. Mijn man werkte bij het ministerie van buitenlandse zaken, en dat hoorde gewoon bij z’n job. Niet dat ik het erg vond, integendeel. Al die culturen, de talen, het was een verrijking voor mij en mijn gezin. Maar toen we definitief terugkeerden naar België, besefte ik dat ik terug van nul moest beginnen. Ik had geen vriendinnen van vroeger om naar de cinema te gaan, geen oude collega’s om af en toe eens een koffietje mee te gaan drinken. Mijn kinderen waren al lang het huis uit, en hadden hun eigen leven. En mijn man had zelf zijn bezigheden. Wat moest ik in hemelsnaam de hele dag doen? Een kennis vertelde me over het M-Museum, en dat er veel gepensioneerden werken als publieksbegeleider. Ik dacht meteen: waarom niet? En daar werk ik intussen al bijna tweeëntwintig jaar.

Ask me, I can help you, staat er op mijn badge. En daar doe ik het voor: mensen een fijne tijd bezorgen in het museum.”

Het leuke is dat ik zelf kan kiezen hoe vaak ik ga werken. Een fulltime job zou niets voor mij zijn, maar sommige maanden werk ik evengoed twintig tot vijfentwintig dagen. Maar dat is alleen in het hoogseizoen. Als publieksbegeleider zorg ik dat de bezoekers makkelijk hun weg vinden in het museum. ‘Ask me, I can help you’, staat op mijn badge. Heel af en toe kan ik ook nog eens mijn Russisch bovenhalen. Dan verschieten de bezoekers wel even, maar achteraf zeggen ze me dat ik hun uitstap nog net iets beter heb gemaakt. Daar doe ik het voor: mensen een fijne tijd bezorgen in het museum. Mijn broers en zussen vragen soms: ‘Is het niet stilletjesaan genoeg geweest?’ Maar het geeft me zoveel voldoening. Sommige collega’s zijn ook echt vriendinnen geworden, die ik voordien niet had. We gaan samen op restaurant, naar een tentoonstelling of de film. En het extra centje dat ik verdien, is fijn en gebruik ik om leuke dingen te doen. Mét mijn vriendinnen.”

Daniël staat al meer dan zestig jaar in zijn elektrowinkel in Ursel

Daniël (84): “In het kleine dorpje Ursel is er alleen nog een bakker, een slager, en mijn elektrowinkel. Stoppen kan ik niet, want onder mijn klanten is niet iedereen meer fit genoeg om naar de grotere steden te rijden. En ze weten dat ze bij mij terecht kunnen, voor bijna álles. In de Gouden Gids vind je me onder de rubriek elektriciens, maar mijn winkel is veel meer dan dat. Ik verkoop lichtschakelaars uit de jaren zeventig, tl-lampen en zekeringen, maar evengoed strijkijzers, wekkers, muizenvallen, slazwierders en fietsbanden. Te veel om op te noemen. Maar ik verdien vooral mijn geld met gasflessen. Ik heb nog zo’n zeventig klanten die ze bij mij komen kopen. Sommigen zijn al op leeftijd, en dan lever ik ze zelf af met de auto.

“Ik kan mijn klanten toch niet in de steek laten? Zij zijn niet meer fit genoeg om naar de stad te rijden voor hun gerief.”

Ik sta niet meer de hele dag in de winkel. Het pand is zo oud dat een deel ervan moest gesloopt worden. Nu de verwarming ook stuk is, blijf ik in deze periode gewoon thuis – en da’s vlakbij. Er hangt dan een briefje aan de deur, zodat de klanten weten waar ze me kunnen vinden. Niemand die daar een probleem van maakt. Maar van zodra de zon weer schijnt, ga ik terug. Dan speel ik op de stoep op mijn accordeon, of laat ik passanten meegenieten van mijn deuntjes op de synthesizer. Af en toe komt er ook iemand binnen om een babbeltje te slaan. Zo ben ik nog eens onder de mensen, hé. Mijn vrouw is vijftien jaar geleden gestorven, en sindsdien ben ik altijd alleen gebleven. Dus zolang ik gezond ben, geef ik de winkel niet op. De klanten zijn mijn compagnie. En ik verdien er nog iets mee, want als zelfstandige trek ik maar weinig pensioen. Maar ik denk dat ik vooral nog aan de slag ben om mijn klanten ten dienste te staan. Ik kan hen toch niet in de steek laten? Wat zouden ze doen zonder mijn elektrowinkel?”

Uit: Libelle 13/2019 – Foto’s: Maarten De Bouw

Meer lezen:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!