Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Een overbeschermende moederkloek ben ik niet, maar ik wil en kan niet nog iemand verliezen”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (36) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Een coole mama

Geen brood meer in huis. Als je met twee bent, is dat snel opgelost. Iemand springt op de fiets of loopt naar de bakker en hup, er is weer brood in huis. Het is fijn en rustgevend als je je over zo’n triviale zaken geen zorgen hoeft te maken. Stijn was meestal de ‘broodhaler’, degene die ’s ochtends nog snel om brood reed, tussen opstaan, badkamertijd en het – altijd nipt – halen van een trein. In mijn ogen was hij alleen daarom al een held. Sinds zijn overlijden zorg ik dat er altijd een brood in de diepvries klaar zit, want de kinderen alleen laten en snel even naar de bakker lopen, zit er als alleenstaande moeder niet altijd in.

Maar vandaag is er dan toch eens geen brood in huis, dus maak ik aanstalten om de fietsen uit de berging te halen en samen naar de bakker te rijden. Tot Hoppe ineens enthousiast vraagt: “Mama, mag ik eens alleen naar de bakker?” Hij is negen – in zijn hoofd zelfs al bijna tien – dus natuurlijk wil hij dat. De vraag werd al eerder gesteld, maar tot op heden wist ik ze af te wimpelen. Hoewel we in een rustige buurt van Gent wonen, zijn er twee grote wegen over te steken, waar chauffeurs als gekken voorbijrazen. De discussie ‘alleen naar school fietsen’ is daardoor al enige tijd afgesloten, dat zit er de komende twee jaar nog niet in. Niet alleen kijken sommige chauffeurs amper om naar fietsers, ook Hoppe zit voorlopig nog te dromerig op zijn fiets, waardoor ik hem nog niet genoeg vertrouw in het verkeer. Een overbeschermende moederkloek ben ik niet (en zal ik nooit worden), maar er is er al één weg van ons gezin, ik wil en kan er niet nog eentje verliezen. Dus moet Hoppe geduld hebben.

Maar nu twijfel ik. Want om naar de bakker te gaan hoeft hij geen grote baan over te steken. Bovendien is het klaarlichte dag én is zijn enthousiasme aandoenlijk. Ik weet hoe graag ik als kind zelf naar de winkel ging, in mijn eentje, hoe vrij ik me daardoor voelde. In mijn hoofd hoor ik Stijn lachen, hij had al lang gezegd: “Laat Hoppe maar eens alleen fietsen.” De dag dat Stijn overleed, had hij Hoppe en Korneel, het neefje, samen naar de winkel laten gaan. Weliswaar te voet, maar toch: zonder volwassene erbij. Hoppe vond het geweldig en praat er nog steeds over, hoewel de 24 uur nadien de rest van zijn leven een andere wending zouden geven.

Vol twijfel en bijtend op mijn onderlip laat ik hem uiteindelijk vertrekken, kijk hem na terwijl hij de straat uitfietst, laat de voordeur op een kier staan, dwing mezelf niet aan de deur te blijven wachten. Hij komt veilig en heelhuids bij me terug, daar moet ik mezelf van overtuigen. Amper tien minuten later zie ik hem alweer huiswaarts fietsen, want uiteraard sta ik hem tegen die tijd op de stoep op te wachten. Glunderend stapt hij van zijn fiets, duwt het brood in mijn handen en zegt: “Zie je wel dat ik al groot ben?” Hij is inderdaad groot geworden. Nog steeds nog maar negen, maar – deels door wat er met zijn papa gebeurde – ook ouder, wijzer en vooral: alsmaar meer lijkend op Stijn.

“‘Mijn papa leeft niet meer, maar mijn mama kan dat ook’, zegt Hoppe zonder verpinken. Wat een topkerel, denk ik”

Onlangs trokken we samen naar een skateshop, omdat hij al maanden aan het oefenen was op een goedkoop, slecht skateboard en graag beter wilde worden. In de winkel voelde ik mij – naast zeer ‘onhip’ – ook de typische moeder die weinig kennis had van de kinderlijke hobby, terwijl Hoppe zonder schroom met de eigenaar stond te babbelen alsof hij al jaren op een skateboard stond. De man nam z’n tijd, gaf de kleine jongen een uitgebreide, geduldige uitleg over het nieuwe skateboard en sloot zijn uiteenzetting af met de zin: “Je moet dan maar aan je papa vragen om af en toe de wieltjes wat aan te draaien.” Waarop Hoppe zonder verpinken zei: “Mijn papa leeft niet meer, maar mijn mama kan dat ook. Ik heb een coole mama.”

Terwijl de twee hun gesprek verderzetten, stond ik aan de zijlijn mijn adem in te houden, in een poging mij stoer te tonen, mijn tranen te verbijten en kon alleen maar denken: “Wat een topkerel. Nu al.”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!