Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Ik ontwaak en hap naar lucht. Stijn en ik zijn niet gescheiden, hij is dood”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (36) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Dromen

Na het overlijden van Stijn las ik veel. Zelfhulpliteratuur van de bovenste plank, maar ook gezwets waar ik met mijn heldere kop niet bij kon. Het ging me in eerste instantie om de kinderen. Welk boek omvatte dé handleiding om met hun verdriet om te gaan? Die handleiding bestaat niet, heb ik ontdekt, je volgt je gevoel en leert erop te vertrouwen.

“Het verdriet is allesoverheersend en het scheurt je in stukken uiteen. Niks dramatisch aan, gewoon harde realiteit en deel van het leven.”

Pas daarna las ik ook voor mezelf, denkende “Ha, dat klopt, in die fase zit ik dus”, vaak luidop zeggend: “Nee hoor, ze gaan me niet liggen hebben, zó verbitterd word ik niet”. Ik werd lid van een socialemedia-groep: jonge weduwen en weduwnaars onder elkaar, van verschillende afkomst en met andere interesses, maar allemaal met die ene verbindende factor: de partner is overleden of zelf uit het leven gestapt. Uiteindelijk is het voor alle achterblijvers hetzelfde: het verdriet is allesoverheersend en het scheurt je in stukken uiteen. Niks dramatisch aan, gewoon harde realiteit en deel van het leven. Iedereen gaat dood, alleen moeten sommigen veel te vroeg vertrekken. Lezen dat je niet alleen bent met dat rotgevoel, soms is dat al genoeg.

Op één ding bleek ik rotjaloers. Geregeld las ik verhalen van mensen die hun overleden partner in hun dromen zagen. Ze vertelden over de uitgebreide gesprekken, over de liefde, over het fijne gevoel waarmee ze de dag nadien uit hun bed stapten, blij dat ze hun overleden partner terug hadden gezien, ook al was het maar een droom. Of die verhalen nu echt waren of een beetje opgesmukt, ik was er stinkend jaloers op, want Stijn bleef netjes weg ’s nachts. Geen énkele keer passeerde hij, niet eens om ‘dag’ te zeggen. Ik droomde, elke nacht, maar geen Stijn te zien. Frustrerend vond ik het.

En dan is het ineens zover. Op het moment dat ik het niet meer had verwacht, passeert die droom ineens. Maar het is geen gewone passage. In mijn droom staat Stijn voor de deur, niet om vrolijk te melden dat hij terug is, wel met de vraag “Zijn de kinderen al klaar?”. Voor ik het goed en wel besef, staan Hoppe en Polly bij me in de hal, met hun rugzakjes omgegespt, klaar om met hun vader mee te gaan. “Hoe was de week?” vraagt Stijn mij, ietwat ongeïnteresseerd, meer op de kinderen gefocust dan op mijn antwoord, dat er eigenlijk ook niet echt één is, want ik ben te verbouwereerd door de situatie. Aan de overkant van de straat staat een geparkeerde auto, met draaiende motor. Ik zie een vrouw achter het stuur zitten, maar weet niet wie ze is. Zo gaat dat in dromen, je ziet mensen maar kunt er geen naam op plakken.

Ik stamel: “Zijn wij gescheiden?” waarop Stijn mij aankijkt alsof ik een idioot ben. “Niet raar doen, Bedert,” zegt hij, waarna hij de kinderen een hand geeft, hen mee de straat over loodst en hun rugzakjes in de koffer van de geparkeerde auto legt. De kinderen zwaaien, Hoppe roept “Tot volgende week, mama!”. Ik sta met grote ogen naar het tafereel te kijken, nog steeds zie ik niet wie de vrouw achter het stuur is. Ik hoor mezelf roepen “Ik wil niet gescheiden zijn!” terwijl de auto wegrijdt. Als ik wakker word, hap ik naar lucht, enkele seconden – die als een eeuwigheid aanvoelen – lijk ik nog steeds in de deuropening te staan. Meteen daarna besef ik dat ik in mijn bed lig. Dat Stijn en ik niet gescheiden zijn, dat hij dood is.

“In mijn droom staat Stijn voor de deur, met de vraag: ‘Zijn de kinderen al klaar?’ In zijn auto aan de overkant zie ik een vrouw aan het stuur zitten.”

Gedurende de dag loop ik verloren, alsof het gevoel in mijn kleren blijft zitten. Ook de dagen erna blijft de droom, hoe kort hij ook was, door mijn hoofd spoken. Waren we in het echte leven ook uit elkaar gegaan, dan had dat dus betekend dat we elkaar niet graag meer hadden gezien. Het idee alleen al doet me kokhalzen, ik herbeleef het gevoel uit mijn droom keer op keer. Bizar hoe levendig dat moment aanvoelde.

Het hoeft niet meer voor mij, dat dromen. Stijn en ik zijn niet gescheiden, we zijn – zonder het te willen – letterlijk uit elkaar gerukt. Ondanks alles – het verlies, het verdriet – voelt het als een opluchting te weten dat we elkaar graag gezien hebben tot op het allerlaatste moment. En de volgende keer, als hij dan toch nog eens in mijn dromen passeert, zal ik hem vragen waar hij al die tijd uitgehangen heeft. Misschien zegt hij dan niet: “Doe niet zo raar, Bedert.”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!