Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Het perfecte plaatje mis je dikwijls pas wanneer het uiteen is gespat”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (36) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Tomatensoep

We gaan voor het eerst sinds Stijn overleden is naar het koffiehuisje waar we zo vaak op woensdagmiddag gingen lunchen. Het was een traditie geworden, nadat Polly gestart was in de eerste kleuterklas. Stijn en ik werkten op woensdag thuis, haalden samen de kinderen van school en fietsten met hen naar het koffiehuis. Hoppe at er tomatensoep met balletjes, speelde naast ons aan tafel, Polly viel in slaap en Stijn en ik hadden tijd samen. Het perfecte plaatje dat je pas mist wanneer het uiteen is gespat.

Meermaals had Hoppe me het afgelopen jaar gevraagd wanneer we er nog eens heen zouden gaan, elke keer wist ik de vraag af te wimpelen, wetende dat de confrontatie niet alleen voor mij groot zou zijn. Je kind beschermen tegen wat komen kan, ook dat is liefde. Maar gulden middenwegen zijn de mooiste, dus na enig twijfelen heb ik een portie tomatensoep besteld, die we vandaag mogen afhalen.

Aan de deur van het koffiehuis blijf ik even te dralen, Hoppe en Polly staan me naast de fietsen verwachtingsvol aan te kijken, wachtend tot ik aan de beurt ben. Binnen staan de stoelen en tafels nog tegen de wand gestapeld, je kan – door corona – voorlopig enkel afhalen, dus gezelligheid is nog niet aan de orde. Er gaat een zucht van opluchting door me heen. Het tafeltje dat we altijd reserveerden, staat niet waar het vroeger stond, de kinderhoek ernaast is momenteel door andere zaken ingepalmd. De confrontatie voelt zachter dan verwacht. Buiten lijkt alsof ik een kostbaar goed in handen heb. Ik leg de glazen fles tomatensoep voorzichtig in mijn fietsmand, terwijl Hoppe me met stralende ogen aankijkt. We zijn dan wel niet binnen aan een tafeltje gaan zitten, maar voor deze stap is hij me duidelijk dankbaar. Ik knipoog, hij knipoogt terug. Een stilzwijgend verbond. Hij, de soep, Stijn en ik.

Terwijl we de terugtocht hervatten, kijkt Hoppe af en toe bezorgd naar de fles in mijn fietsmand. Pas wanneer hij doorheeft dat de fles tegen een stootje kan, fietst hij als een wielrenner van me weg. Al die tijd is Polly opvallend stil. Er komt geen enkel geluid vanaf het stoeltje achterop mijn fiets, terwijl ze normaal gezien de godganse rit aan het tetteren is. Voorzichtig steek ik mijn hand achter mijn rug tussen ons in en wil haar buikje kietelen. Meteen weerklinkt een kreet, bijna verlies ik de controle over mijn stuur. Ik zie Hoppe verschrikt naar de fles in mijn fietsmand turen.

“Vanachter op de fiets weerklinkt een kreet. ‘Ik heb papa in mijn handjes!’ roept Polly”

“Waarom roep je nu zo?” vraag ik geschrokken.
“Ik heb papa in mijn handjes!” zegt Polly.
Hoppe komt terug naast ons fietsen, kijkt me vanonder zijn helm aan, haalt zijn schouders op.
“O ja?” vraag ik geamuseerd.
“Ja”, zegt Polly. “En ik hou mijn handjes dicht, anders vliegt hij weg!”
“Maar je kunt hem wel zien?” vraagt Hoppe, die maar al te graag het spelletje meespeelt.
“Ja! Door de gaatjes in mijn vingers!” roept Polly, ik kan de glunderende oogjes in mijn rug voelen branden. “Hij is piep-piep-piepklein! Kijk maar!”
Ze houdt haar handjes onder mijn arm door, tegen mijn buik. “Zie je het, mama?”
“Ja hoor!” zeg ik, terwijl ik snel naar de ineengevouwen vingertjes kijk, de dichtgeknepen vuistjes, en me terug op de weg richt. “Is papa aan het slapen?”

Even blijft het stil, ook Hoppe lijkt het antwoord van zijn zusje af te wachten. Ik beeld me in dat Polly haar vuistjes nu heel dicht bij haar oogjes houdt en door een spleetje naar binnen gluurt. Dan gilt ze ineens.
“Hij is wakker! Er is een meisje bij en die heeft hem gekust! En nu is papa wakker!”
“Oei,” zeg ik, “en wie mag dat meisje dan wel zijn?” Er weerklinkt een luide schaterlach achter mij.
“Ma-ha-ma!” lacht Polly. “Dat ben jij, hé! Du-huh! Er mag toch geen ander meisje papa kussen!”

Thuis hef ik Polly van het fietsstoeltje af, nog steeds met haar handjes stevig in elkaar gevouwen.
“Wat ga je er nu mee doen?” vraag ik.
“Ik ga hem boven in het bedje van Muis leggen”, zegt ze. “Dan kan hij rustig verder slapen. En als je heel braaf bent, mama, dan mag je hem vanavond, héél misschien, wakker kussen.”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!