Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Ik prees mezelf gelukkig met Stijn als papa van onze kinderen”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (36) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Geen opgever

Kinderen in je eentje opvoeden, het was nooit mijn plan. Hoe vaak heb ik niet gedacht: goed dat Stijn er is, want hoe hard ik ook mijn best doe, hoe groot mijn liefde ook is, ik zou het niet in mijn eentje kunnen.

Ik werd vrij jong mama, op mijn 26. Althans, voor mijn generatie was dat jong, de meeste vriendinnen begonnen er pas enkele jaren later aan. Hoppe kwam op de wereld en zette ons leven op z’n kop. Je weet pas wat het met je doet wanneer het je overkomt. We zochten en vonden een ritme en ik prees mezelf gelukkig met Stijn, die zich ontpopte tot de warme, speelse vader met wie elk kind blij zou zijn. Bij Stijn leek geduld eindeloos, terwijl het mijne altijd meteen op was.

Als je met twee bent, dan kan de ander het eens overnemen. Als je er alleen voor staat, moet je beide rollen opnemen. Ondertussen heb ik geleerd dat mijn geduld verder reikt dan ik voor mogelijk achtte. Ik heb niet te klagen over mijn kinderen, maar aan tafel tast Polly al graag eens grenzen af. Ze doet dat op een onwaarschijnlijk ontwapenende manier, maar toch, aftasten is het sowieso.

We zitten aan tafel en mevrouw heeft er geen zin in. Aan mijn kookkunsten ligt het niet, dat weet ik. Er valt ook geen touw aan vast te knopen. Het ene moment steken de kinderen een groentenratatouille naar binnen, de dag erna is een heel klein stukje aardappel er al te veel aan. Hoppe gaf ooit over bij het zien van een stukje champignon. Hij had nog geen hap in zijn mond gestoken, laat staan dat hij het ooit al überhaupt gepróéfd had, maar het zien alleen al werd hem te veel. Hij keek me met grote ogen aan, schudde zijn hoofd en gaf ter plekke over. Sindsdien snij ik de champignons gewoon heel klein, zodat ze niet opvallen. Ik ben geen opgever.

Maar nu heeft Polly gekleurde stukjes ontdekt op haar bord – groentjes, jakkes! – en probeert ze al een halfuur ‘afspraakjes’ te verkrijgen. Een ‘afspraakje’ omvat meestal ‘nog zoveel happen en dan mag je stoppen’ of ‘je moet sowieso proeven, maar één grote hap is voldoende’. Aangezien ze, sinds we aan tafel zitten, nog geen énkele hap gegeten heeft, begin ik mijn geduld alsnog wat te verliezen. De nieuwe afspraak ‘dan blijven we zitten tot je bordje leeg is’ rolt ongegeneerd uit mijn mond. Meteen erna heb ik spijt, maar ik besef dat een terugkeer er nu niet meer in zit. Boos om zoveel onrecht begint Polly hele kleine stukjes op haar vork te prikken. Vlak voor elke hap weerklinkt een dramatische snik, alsof ze zo meteen een lepeltje naalden in haar mond moet steken.

“Voor Stijn is het makkelijk nu, denk ik. Maar meteen slik ik dat weg. Hij zou zoveel gegeven hebben om hier te kunnen zitten”

Gefrustreerd zitten Hoppe en ik elkaar aan te kijken. Plezant zijn zulke scènes niet, maar opnieuw: ik ben geen opgever. In mijn hoofd hoor ik Stijn zeggen: “Je geduld niet verliezen, ze is een kleuter, laat je niet doen.” En denk: ja ja, voor jou is het nu makkelijk, hé. Meteen daarna slik ik die gedachte weg. Hij zou zoveel gegeven hebben om hier nu te kunnen zitten. Ten einde raad hoor ik mezelf zeggen: “Polly, van groentjes word je sterk.”
“Jij bent toch ook niet sterk?” repliceert ze meteen.
Verbaasd over haar statement, weet ik even niet meer te zeggen dan: “Ah nee? Ben ik niet sterk?”
“Nee,” zegt ze, terwijl ze haar rugje recht, “Jij kan geen huis optillen.”
“Dat klopt”, zeg ik en moet een glimlach onderdrukken. “Daar heb je een punt.”
“En ook geen vijftien dozen met één hand.”
Ik twijfel of ik hier verder op in moet gaan, maar probeer toch nog. “Wel als de dozen leeg zijn”, zeg ik.
“Nietes”, zegt ze. “Want het zijn heeeeeele grote dozen.”

Triomfantelijk kijkt ze mij aan, ervan overtuigd dat ik me gewonnen geef. Ik knik, glimlach en zeg: “Je hebt gelijk, Polly. Als het hele grote dozen zijn, dan ben ik niet sterk genoeg.” Ze lacht haar tandjes bloot en kijkt dan met glinsterende oogjes naar haar bord. Als bij wonder begint ze hapjes eten naar binnen te werken, overweldigd door haar woordelijke overwinning. Vijf minuten stilte later, schuift ze haar leeg bordje over tafel naar mij toe en zegt: “Klaar. En nu ga ik dozen optillen.”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content