Uit het hart van Hannelore: “Ik had ze kunnen zien aankomen, maar toch verrassen de tranen mij. Het gemis is zo pijnlijk tastbaar…”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (36) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Gemis

Na veel discussiëren heb ik een extra hangmat gekocht. We hadden er al twee hangen, eentje voor Hoppe en eentje – een meter lager – voor Polly, maar telkens als ikzelf ook eens een rustpauze in één van de hangmatten wil nemen, ontstaat er discussie in de andere hangmat over wie nu recht heeft om daar te liggen. Want als mama in de hangmat ligt, dan willen de kinderen dat ook. Logisch. Ze kunnen niet zonder elkaar, maar samen in een hangmat? Ho maar…

“‘Moeten we geen vierde hangmat kopen?’, vraagt Polly. ‘Voor papa? Die wil misschien ook samen met ons hangen, hé'”

Om de lieve vrede te bewaren, maar vooral: om overdag zelf eens zonder gezeur in de hangmat te kunnen liggen, kocht ik er eentje extra. Dus nu is het duidelijk. Iedereen kan liggen. En hangen. Op hetzelfde moment. “Moeten we niet nog een vierde kopen?”, vraagt Polly, terwijl ze in haar eigen hangcocon kruipt. “Voor papa? Die wil misschien ook samen met ons hangen, hé. En trouwens, ik ben vier jaar.” Ik glimlach. Hoppe draait met zijn ogen, maar ik weet dat ook hij de uitspraken van zijn kleine zus heerlijk vindt.

Vanuit onze hangmatten kijken we naar twee katten die achter elkaar door de tuin sluipen. Ik heb zin om ze weg te jagen, maar zie hoe Hoppe gefascineerd naar het schouwspel kijkt. Ik ben nooit fan geweest van katten. Vos, onze hond die Stijn achternaging slechts enkele maanden na diens overlijden, was dan wel geen jachthond, maar katten bleven wel uit zijn buurt. En dus uit onze tuin. Nu hebben ze hier vrij spel en ik word onnozel van de uitwerpselen die ze ongegeneerd op het terras achterlaten. “Ik denk dat ze ons niet zien”, fluistert Hoppe, terwijl hij voorzichtig over de rand van zijn hangmat gluurt. “Wist je dat een kat negen levens heeft?”, vraagt hij. “Misschien was papa al aan zijn negende leven bezig en durfde hij ons dat gewoon niet te zeggen.” Hij zegt het langs zijn neus weg, dus ik steek mijn hoofd uit mijn hangmat en kijk hem fronsend aan. Grijzend tuurt hij terug. “Ik kan ook zulke rare dingen als Polly zeggen, hoor.”

’s Avonds liggen de kinderen in bed. De avond is nog maar net gevallen, ik steek wat hout in brand in de vuurschaal op het terras en kruip met mijn laptop in de hangmat het dichtst bij het vuur. Ik nestel me onder een dekentje en begin aan mijn schrijfavond. Op een bizarre manier voel ik me hier minder alleen. Alsof het knetterende vuur voor gezelschap zorgt. Na enkele uren schrijven en na de zoveelste sprong uit de hangmat om een extra houtblok op het vuur te leggen, heeft de avondkou me stilaan toch in z’n greep. Ik leg mijn laptop aan de kant, gooi nog een stuk hout op het vuur, wikkel een extra dekentje om me heen en rol me tot een bolletje, diep in de hangmat.

En ineens is het daar. Het besef dat dit allemaal wel mooi is, die gezelligheid van een vuurschaal, het rustige schrijven in de hangmat, maar dat ik hier niet alleen wil zijn. Dat ik dit wil delen. Dat ik hier met vrienden wil zitten, met liefde om mij heen. Dat ik wil praten met anderen. Dat Stijn hier zou moeten zijn, naast mij aan het vuur, zoals we zo vaak deden, hier of ergens in een buitenland. Ik met een boek en hij met een glas in zijn handen, omhoogkijkend, zoekend naar vleermuizen in de nacht, mij bij elk vliegend beestje uit mijn leesconcentratie halend.

“Ik staar in het vuur, voel de bal in mijn maag groter worden. Wat zou ik nu graag uit mijn concentratie worden gehaald”

Wat zou ik nu veel geven om even uit mijn concentratie te worden gehaald. Ik staar in het vuur, voel de bal in mijn maag groter worden. In geen tijd rollen de tranen over mijn wangen. Ik had ze kunnen zien aankomen, maar toch verrassen de tranen mij. Het gemis is zo pijnlijk tastbaar en ik zit rechtop en snikkend in de hangmat. Eerst probeer ik mezelf er nog van te overtuigen: het is de rook, mijn ogen kunnen er niet goed tegen. Ik wil het doodgraag, ik wil zó graag geloven dat ik eens om iets anders huil dan om Stijn of om hoe het leven nu loopt. Soms wil ik gewoon eens simpelweg huilen omdat ik rook in mijn ogen kreeg.

Terwijl ik mij weer in de hangmat neerleg en omhoogkijk, zie ik tussen de boom door een vleermuis passeren. Het vuur blijft zacht knetteren, maar voor de rest is het stil. Wat kan stilte oorverdovend zijn.

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content