Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Als ik ons huis binnenga, kijk ik nog altijd naar het naamkaartje met vier namen op”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (36) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Naamkaartje

Eerlijk is eerlijk: de afzondering begint hier toch stilaan wat te wegen. Ik snak naar meer menselijk en – vooral – volwassen contact. Hoe graag ik mijn twee huisgenootjes ook zie, de gesprekken in huis beperken zich tot kinderlijke onderwerpen. Ook het woord ‘mama’ krijgt stilaan een irritante bijklank. Daarenboven gruwel ik van telefoneren en ben ik niet de grootste voorstander van onlinegesprekken, wat communicatie beperkt tot berichten. Of tot gesprekken met buren over de tuinmuur heen. Om onnozel van te worden als je iemand bent die zo graag woorden gebruikt.

“Wat kijk ik uit naar gesprekken op café, op restaurant, in de tuin… Overal waar we het altijd zo evident hebben gevonden”

Gelukkig passeren hier vaak vrienden aan de deur, waarbij we gesprekken voeren op veilige afstand en ik nog net geen koffie op de stoep zet, maar het blijft raar niet te kunnen zeggen: “Kom binnen”. Wat kijk ik reikhalzend uit naar gesprekken op café, op restaurant, in de tuin, overal waar we het allemaal altijd zo evident hebben gevonden. Elkaar zien, in levende lijve, elkaar kunnen aanraken, wat lijkt dat nu even een grote illusie.

Aangezien de stoep de plek lijkt waar de kans op een volwassen gesprek het grootst is, neem ik dan toch de snoeischaar ter hand en overtuig mezelf ervan dat de gevelplant en ik dan wel geen vrienden zullen worden, maar dat ik op z’n minst kan zorgen dat de plant iets meer doet wat ík wil. Van koppigheid is nog nooit iemand gestorven.

Terwijl ik in de zon dode takken van de gevel pluk, die na de drastische snoei van vorig jaar zijn blijven hangen, passeert de ene na de andere buur. De ene buurman lacht, vraagt of ik er dan toch eindelijk aan begonnen ben. Een andere buurman passeert met zijn hond, laat glimlachend vallen dat we een gespreksonderwerp geweest zijn in de straat, de gevelplant en ik. Als hij mijn verbazing ziet, haast hij zich te zeggen dat gepensioneerde mensen nu eenmaal íets moeten hebben om over te praten. Een buurvrouw vraagt hoe het met mij gaat, ze lacht naar de kinderen, blijft op veilige afstand, prutst af en toe aan haar mondmaskertje. Ik begrijp de helft niet van wat ze zegt, maar knik beleefd. Een andere man, die ik nooit eerder zag maar die achter de hoek blijkt te wonen, begint uitgebreid tips te geven over de verzorging van de gevelplant. Het moet wat geweest zijn, die gesprekken over Hannelore en haar gevelplant.

Hoppe heeft zich ondertussen op de stoep gezet, met een pak kaarten. Sinds mijn zus hem ‘patience’ leerde spelen, in de weken na het overlijden van Stijn, gaan de kaarten overal mee. Wanneer één van de zovele voorbijgangers wegwandelt, zegt Hoppe: “Ik vind het eigenlijk allemaal zo erg niet, die coronatijd. Er zijn bijna geen auto’s in onze straat en alle mensen zeggen goeiedag.” Ik glimlach, geef hem gelijk en hoop stilletjes dat we met z’n allen iets van deze tijd zullen hebben geleerd.

“De confrontatie is soms hard. Iedere keer word ik opnieuw met de neus op de feiten gedrukt: Stijn is er niet meer”

Dan valt mijn oog op onze deurbel. Hoe vaak ben ik ons huis al niet binnengegaan, kijkend naar het handgeschreven naamkaartje, waar nog steeds vier namen op staan vermeld. Hoe vaak heb ik al niet gedacht: verdoeme toch, dit is niet fair, en hoe vaak heb ik die gedachte al niet verdrongen zodra ik binnen ben. Met een schroevendraaier begin ik de deurbel los te vijzen, hoewel Hoppe even protesteert. Met handen en voeten probeer ik hem uit te leggen waarom ik het naamkaartje weg wil. Dat de confrontatie soms te hard is, dat ik daardoor iedere keer opnieuw met de neus op de feiten wordt gedrukt: Stijn woont hier niet meer. “Mag ik het oude kaartje dan wel bijhouden?” vraagt hij, terwijl hij vanop de grond naar mij omhoog tuurt. Ik knik, trek het karton weg, haal een nieuw stukje en schrijf er in grote letters Hannelore, Hoppe & Polly op. En hoewel Stijn hier nog steeds aanwezig is, in hart en hoofd, voelt het toch alsof ik mezelf een heel klein beetje geluk gun.

Daags nadien vraagt Polly waarom haar naam zo groot op de deurbel staat. Ik vertel haar waarom ik het kaartje heb vervangen en waarom Stijn z’n naam niet meer vermeld staat. Peinzend kijkt ze naar de deurbel en zegt dan onomwonden: “Je kan toch gewoon ‘papa is dood’ naast onze namen schrijven?”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!