Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Uit het hart van Hannelore: “Wat ik vooral minder moet doen, is stoppen met denken wat andere mensen denken”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (36) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Roepen

Ik ga wandelen met een vriend. Vroeger deed ik dat met Stijn. Aan zee. Of in natuurreservaten. Omdat Stijn graag wandelde. En graag in natuurreservaten rondliep. Elke keer opnieuw moest hij me wel overtuigen, wandelen vond ik vroeger zinloos, ik had een doel nodig. Maar elke keer opnieuw kwam ik – ondanks al mijn protest – gelukkiger thuis dan hoe ik vertrokken was.

Sinds Stijn er niet meer is, mijd ik de plekken waar we samen kwamen. Het natuurreservaat hier wat verderop meed ik al helemaal, maar vandaag ben ik zomaar ineens ingegaan op de vraag van de vriend om er te gaan wandelen. Uitwaaien noemen we het, al staat er geen wind. Na enkele kilometer laat ik iets vallen waarvan ik dacht dat ik het voor mezelf zou houden. “Weet je dat ik vaak niet meer zeg dat het soms goed met mij gaat?”, begin ik aarzelend.
De vriend kijkt verbaasd opzij. “Ik zou het omgekeerde verwachten”, zegt hij.
“Nee,” vervolg ik, “zeggen dat ik een slechte dag heb, is niet zo moeilijk. Maar een goeie dag hebben, geeft mensen de indruk dat er geen vuiltje meer aan de lucht is.”

“Zeggen dat ik een slechte dag heb, is niet zo moeilijk. Maar een goeie dag hebben, geeft mensen de indruk dat er geen vuiltje meer aan de lucht is”

De vriend zwijgt, maar ik zie hoe hij nadenkt. Ik heb de neiging om wat gek te beginnen huppelen, als om op een onhandige manier de stilte te doorbreken. “Omdat mensen dan denken: ik hoef het niet meer te vragen nu, want het gaat goed met haar?”, vraagt de vriend.
“Exact!”; zeg ik. Ik lach, zeg dat hij het beter kan samenvatten dan ik. “Als iemand vraagt hoe het met mij gaat en op dát moment gaat het goed, dan zeg ik: ‘ça va of ‘het gaat’. Maar een uur later kan het heel slecht gaan. Maar dan heb ik al gezegd dat het goed gaat en dan lijkt het alsof ik deed alsof. Of dan denken mensen: fijn, het gaat goed met haar, ze kan het wel alleen, ik hoef het niet meer te vragen nu.”

De vriend fronst zijn wenkbrauwen, zwijgt. Hij wijst naar een bankje. Ik schud mijn hoofd, zeg dat ik daar soms met Stijn zat, dat ik liever op het volgende bankje zit.
Aarzelend zoek ik naar de juiste woorden, ik haal aan dat ik het al eens schreef, dat ik denk dat het voor vrienden fijner is om mij te zien wanneer ik vrolijk ben, dat vrienden misschien uitgepraat raken over Stijn, over mij, over de kinderen, over het verdriet dat soms wel en soms niet in ons huis hangt, in ons lijf, ons leven.
“Er zijn er die lange tijd niet meer vragen hoe het gaat omdat ik de laatste keer een vrolijke indruk heb gemaakt”, zeg ik.
“Misschien vragen ze het niet omdat ze denken dat je die vraag niet dagelijks wilt horen?”
“Ik wíl die vraag ook niet dagelijks horen,” zeg ik. De vriend grijnst, zegt dat ik mezelf tegenspreek.
“Ik weet het”, zucht ik. “Soms wil ik heel graag dat mensen vragen hoe het met mij gaat, dat ze aan mij denken, aan de kinderen, aan Stijn. En op andere momenten ben ik die vraag kotsbeu en wil ik gewoon terug de oude Hannelore zijn.”
“Dat kan niet meer,” zegt de vriend resoluut terwijl hij op het bankje gaat zitten. “Je bent een nieuwe versie van jezelf nu.”

Als ik neerzit, legt de vriend zijn arm om mijn schouder, trekt me tegen zich aan. We staren voor ons uit, de natuur lijkt hier eindeloos, ook al weten we dat wat verderop de drukte van de stad heerst. “Je mag nooit doen alsof het goed gaat als je je niet zo voelt”, zegt hij.
“Dat weet ik”, zeg ik. “Maar soms wíl ik het zelf ook, dat mensen niet altijd maar denken: ‘lap, ik had beter niet gevraagd hoe het met haar gaat’. En op andere dagen wil ik roepen: ‘Zien jullie het dan niet? Hoeveel zeer het nog altijd doet?’”
“Dan moet je dat misschien gewoon doen”, zegt de vriend.
“Wat?”, vraag ik.
“Roepen.”
Daarna neemt hij mijn hoofd in zijn handen en zegt lachend en duidelijk articulerend: “En weet je wat jij vooral minder moet doen? Jij moet stoppen met denken wat andere mensen denken.”

Ik lach mee, trek me los uit zijn greep en zet in gedachten een punt bij op mijn denkbeeldige zelfzorg-lijstje. Terwijl we naast elkaar op het bankje zitten, hoop ik in stilte dat ik ooit gewoon raak aan die nieuwe versie van mezelf.

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!