Uit het hart van Hannelore: “Als je man sterft, dan doe je de dingen gewoon. Ook een metershoog glazen dak poetsen…”

Begin vorig jaar verloor Hannelore (36) plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Laddervrees

Aan de achterkant van ons huis is er een groot glazen dak waardoor de benedenruimte van daglicht wordt voorzien. Tijdens de verbouwingen had de ramenplaatser met een frons naar de afmetingen gekeken, uiteindelijk beslist dat het veilig was en ons het daglicht bezorgd waar de stadswoning én wij zo naar snakten. De maanden na de plaatsing keken we vol verwondering naar de open lucht die we boven onze leefruimte hadden gecreëerd, alsof je in het gras lag en naar de hemel kon kijken. Geen moment hadden we spijt, tot we na enkele maanden naar boven keken en zagen dat het zicht wat troebel was geworden. In ons enthousiasme – eigen aan jonge verbouwers – hadden we niet erg goed nagedacht over het poetsen van die ramen.

Zo’n twee keer per jaar maakten we er dan maar werk van. Vanuit het raam van de kamer vlak boven het glazen dak en met behulp van een lange zwabber konden we de enorme stukken glas wassen. Veilig was het niet, want één van ons hing zowat volledig uit het slaapkamerraam, maar het lukte wel. En het was altijd lachen, dat ook, want het zag er niet uit. We waren twee onnozelaars die professionele ramenwassers wilden imiteren, maar we hadden wel pret, elke keer. De zwabber raakte ook nooit tot helemaal beneden aan het glas, dus moest er elke keer een lange ladder tegen de dakrand geplaatst worden om ook daar de stukken glas proper te krijgen.

Ik hing met plezier uit het slaapkamerraam, maar Stijn moest die ladder op. Naast een panische angst voor het duo ‘tramsporen & fietsbanden’ heb ik ook een soort van hoogtevrees. Bergen? Geen probleem. Hoge gebouwen? Ook prima. Hoogtevrees is het dus bezwaarlijk te noemen. Maar zo’n metershoge ladder? Zo’n ding dat er stevig uitziet, maar al bij de eerste stap op een sport begint te wiebelen? Ik pas. Geen hoogtevrees dus, wel: laddervrees.

“Soms besef je pas wat je kunt als je ergens toe gedwongen wordt”

Sinds Stijn overleden is, heb ik heel veel overgenomen. In het begin denk je: alles wat we al die jaren met twee deden, dat kan ik toch niet in mijn eentje bolwerken? Je rolt er vanzelf in, het went simpelweg. Als je partner ziek wordt, neem je ook alles over. Ben je gescheiden, dan zet je ex ook je vuilniszakken niet buiten (in sommige gevallen misschien nog wel, maar dat is dan weer een ander verhaal) en als je man of vrouw sterft, dan is er geen weg terug. Dan doe je de dingen gewoon, je slaat je handen in mekaar en begint eraan. Soms besef je pas wat je kunt als je ergens toe gedwongen wordt.

Maar dat glazen dak… Al maanden was ik de laatste meters van het glas aan het negeren. Vuil? Ja hoor, maar je kon er nog door kijken, dus nee, ik zou niet op het dak kruipen, niemand kreeg mij die ladder op. Tot er deze week, terwijl we aan de keukentafel zaten, een zachte ‘plop’ weerklonk en we met z’n drieën omhoog keken naar de uitgesmeerde vogelstront die zonet op het glas was geland. Nét op de rand, nét op het stuk waar de zwabber niet raakt.

Terwijl ik prijzen opzoek van professionele glazenwassers, mensen die geen schrik hebben van een ladder, komt mijn koppigheid opnieuw naar boven. Ga ik me nu echt laten doen? Dit moet me toch ook lukken? Ik kan mezelf dat duwtje toch ook geven?

“Van op de ladder zwaaide ik naar Polly. ‘Jij was ook een beetje in de hemel’, zegt ze nadien”

Dus sta ik ineens met de ladder in mijn handen, plaats hem tegen de dakrand en haal diep adem. Met elke paar centimeter die ik verder omhoog durf, lijk ik Stijn te horen juichen. “Goe bezig, lief!” roept hij, luidkeels en lachend. En ook al hoor ik het enkel in mijn hoofd, het helpt. Onder het glazen dak applaudisseren Hoppe en Polly, lachend kijk ik op hen neer, zwaai. Bibberend, maar trots, sta ik boven aan mijn ladder het glas te poetsen. Terug beneden kijk ik samen met de kinderen omhoog door het glas, naar de blauwe lucht, en denk: helemaal proper kun je het nog niet noemen, maar ik heb mijn laddervrees verdikke toch maar overwonnen. Terwijl we daar zo staan, voel ik twee kleuterarmpjes om mij heen. Polly vraagt of ik haar heb zien zwaaien.

“Ja hoor,” zeg ik, “ik zwaaide toch terug?”
“Ik zag het”, knikt ze. En dan: “Jij was ook een beetje in de hemel.”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content