De inhoud op deze pagina wordt momenteel geblokkeerd om jouw cookie-keuzes te respecteren. Klik hier om jouw cookie-voorkeuren aan te passen en de inhoud te bekijken.
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."

Koen

Koens column: “Marcel en zijn fruitstalletje doen me denken aan Frankrijk”

Koen Strobbe (58) keert na twintig jaar in het zuiden van Frankrijk met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten terug naar ons land.

In de zomer begin je vanzelf gezonder te leven. Je komt vaker buiten, ontspant wat meer en eet ook een stuk gezonder, want niets is zo heerlijk als de lekkere waaier aan vers fruit en verse groenten die het zonseizoen met zich meebrengt.

“Het liefst van al koop ik zomers fruit bij zo’n stalletje naast de weg”

Niet dat ten huize Strobbe in de winter de fruitconsumptie volledig stilvalt, maar we zijn vooral fan van steenfruit. Kersen, nectarines, perziken in al hun vormen, gele of rode pruimen: ik vind ze allemaal een stuk lekkerder dan het winterse aanbod aan – toch vooral – appelen en peren. Al liggen er tegenwoordig zelfs in januari aardbeien in het schap, ze smaken toch anders dan wanneer ze échte zon gezien hebben. Bovendien kosten ze op dat ogenblik een arm en een been.

Het liefst van al koop ik dat zomerse lekkers bij zo’n stalletje naast de weg. Dat heeft met nostalgie te maken: in Frankrijk kochten we ons fruit en onze groenten ook altijd bij zo’n kraampje ‘vers van de boer’, of op de markt. Wie ’s zomers richting Provence vertrekt, kent ze wel, die loden hitte van de dag, met dan de plotse ontdekking van zo’n fruitstalletje, meestal in de koele schaduw van een rij grote platanen, met vanuit het gebladerte van de imposante bomen, het oorverdovende getsjirp van tientallen cicades, of ‘cigales’.

Het kraam dat hier bij ons mijn voorkeur wegdraagt, staat langs een drukke baan vlak bij de oprit van de snelweg en ik moet er telkens speciaal tot aan een rotonde voor rijden en weer omdraaien om er te geraken. Ik heb er geen idee van hoe de boer die er zijn waar verkoopt in het echt heet, maar Ilse en ik noemen hem ‘Marcel’, omdat hij steevast in een onderhemdje zonder mouwen op zijn strandstoel zit.

Hij is er al sinds de vroege lente. In het begin met enkel asperges in z’n bakken, maar naarmate het seizoen vordert, komen er ook kersen en ander lekkers bij. Tegen dat het aspergeseizoen voorbij is, is zijn kraam uitgegroeid tot een heuse winkel met een volledig aanbod aan fruit en groenten.

Frankrijk of België, boeren zijn overal hetzelfde, dus ook Marcel heeft wat tijd nodig voor hij ontdooit en in mij een terugkerende klant herkent met wie hij een praatje wil slaan. Ook qua uiterlijk lijkt hij op de Zuid-Franse boeren, behalve dan dat zijn gelooide en gegroefde huid meer het resultaat is van de pakjes sigaretten die hij er op een dag doorjaagt, dan enkel van de zon.

Weken geleden, tijdens het aspergeseizoen, gaf Marcel me nog een compliment, omdat ik die dag zowat de eerste was die z’n asperges ‘natuur’ kocht en niet voorgeschild. Een ietwat vreemde opmerking, vond ik, aangezien een geschilde asperge toch razendsnel uitdroogt. Hij lachte, maar maakte er meteen de opmerking bij dat zijn stekje hier bij de snelweg heel veel ‘druk-drukke’ zakenmensen aantrekt, die nog snel een bussel kopen en er het liefst zo weinig mogelijk werk aan willen.

Bij Marcel zag je de prijzen, net zoals in de winkel, de afgelopen tijd elke week stijgen. Toen ik er hem naar vroeg, had hij het natuurlijk over de prijs van de diesel en van een hele hoop andere dingen die hij als boer moest aankopen. Die Russen zouden beter eens een week bij hem op ’t veld komen werken in plaats van oorlogje te spelen en de wereldmarkt overhoop te gooien, vond hij knorrig.

“Als ik de peperdure kersen afreken, zie ik aan het stapeltje bankbiljetten in zijn bakje dat Marcel weer eens uitstekend verkocht heeft vandaag”

Want Marcel zit dan misschien wel hele dagen op z’n strandstoel, dat wil niet zeggen dat hij de wereld niet kent. En ook op de sociale media ziet hij dagelijks hoe moeilijk zijn verre collega’s het hebben. In ‘de Vlaanders’ raakt een boer ook wel af en toe een oude obus in de grond, maar ginder moeten ze de héle tijd bang zijn om tijdens het veldwerk een raket op hun kop te krijgen.

Als ik de peperdure kersen afreken, zie ik aan het stapeltje bankbiljetten in zijn bakje dat Marcel weer eens uitstekend verkocht heeft vandaag. Ik vraag hem of er tussen de landbouwers veel solidariteit heerst, met spaghettifestijnen of wafelenbaks ten voordele van die arme collega’s in Oekraïne. Maar daar is Marcel kort over. Hij klapt zijn geldbakje dicht en schudt zijn hoofd. Wat kunt ge doen? Geld sturen? Die mensen hebben geen geld nodig, meneer, maar vrede.

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content