Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Koen

Comme chez Koen: “Dorpshond Bébé is dood. Gevonden in een stropersklem. Het dorp is verdrietig en boos”

Libelle-columnist Koen Strobbe (57) is auteur en woont met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten in het zuiden van Frankrijk. In zijn wekelijkse column vertelt hij over zijn leven in ‘la douce France’.

Vandaag is ons dorp verdrietig en boos. Ze hebben Bébé gevonden, u weet wel: de grote, witte Pyrenese berghond die al jaren een deel van het dorp was, maar die een poos geleden plotseling spoorloos verdween.

“Ze hebben hem gevonden met een achterpoot in een verboden wildklem, diep in het bos”

Bébé was heel veel: een gesel voor wie met stokbroden onder de arm heelhuids van de rijdende bakker naar huis wilde wandelen, een gevaar voor Mechelse herdershonden die niet zwanger wilden worden, de trouwe metgezel van de kinderen die ’s morgens naar de bushalte stapten en ’s avonds weer terug, een ‘tochthond’ bij onze voordeur, als we de toegangspoort vergaten te sluiten. Maar nu is hij dood.

Ze hebben hem gevonden met een achterpoot in een verboden wildklem, diep in het bos. Hij moet er al lang gelegen hebben. “Verschrikkelijk hoe dat beestje heeft afgezien”, fluistert Ilse stil als ik haar het nieuws vertel en we niet willen dat Kwinten het hoort, die met een vriend online aan het gamen is. Ik bespaar haar de verhalen die in het dorp verteld worden.

“‘Als ze hem klissen, riskeert hij gevangenisstraf’, zegt de burgemeester. ‘Maar dat is toch maar praat voor de vaak'”

Het bos is vergeven van de everzwijnen, en die eten alles. “De burgemeester heeft de gendarmes erbij gehaald”, zeg ik. “Zo’n klem is sterk genoeg om de enkel van een volwassene met één droge klap te breken; je wilt er niet aan denken wat dat met een kind zou doen.”

De burgemeester stond samen met mij bij de rijdende bakker vanochtend. Hij vertelde me dat hij er de voorzitter van de jachtvereniging al had bijgeroepen, en dat die hem verzekerd had dat een jager zoiets nooit zou doen. Het moest een stroper zijn geweest, of een landbouwer die in zijn woede om aangevreten oogst zo’n buitenmaatse klem had gezet om wraak te nemen op de evers. “Als ze hem klissen, riskeert hij effectieve gevangenisstraf.” De burgemeester klonk resoluut. “Maar dat is toch allemaal praat voor de vaak.”

“In de kleine gemeenschappen hier worden stinkende potjes vaak bedekt gehouden”

Ilse haalt haar schouders op. “Wanneer hebben ze ooit al eens iemand gevat, als het om ‘ons-kent-ons’-incidenten gaat?” Dat klopt. In de kleine, rurale gemeenschappen hier worden stinkende potjes vaak bedekt gehouden. Iedereen in het dorp weet wie er regelmatig gaat stropen, iedereen weet wie er een kleine privéwijngaard op nahoudt die niet bij de accijnsdiensten is aangegeven, maar niemand geeft daar ruchtbaarheid aan.
De families zijn zo met elkaar verweven, dat er een kleine burgeroorlog zou ontstaan mocht de ene de andere verlinken.

Ooit, toen ik nog wijnbouwer was, zag ik hoe de oude buurman te midden van de stoppels van zijn pas gemaaide graanakker afval aan het verbranden was. Hij hield een schop in zijn hand, gereed om eventuele wegspringende gensters meteen plat te slaan. Ik reed met mijn tractor naar een van onze wijnpercelen en stopte. “Zou je dat wel doen?” vroeg ik. “Er waait een lichte mistral: voor je het weet staat heel je akker in lichterlaaie…” “Ach wat,” antwoordde de buurman, “ik sta er toch op te kijken.”

Toen ik er een halfuur later opnieuw voorbijreed, zag ik hoe hij verwoed met zijn schop op drie, vier brandhaardjes tegelijk aan het slaan was. Ik wilde hem helpen, maar hij werd kwaad en verzekerde me dat hij alles onder controle had. Twintig minuten later had het vuur een hectare graanstoppels verteerd en likten de vlammen gretig aan twee houten elektriciteitspalen aan de grens van het perceel.

“Ik stel me voor hoe Bébé nog één keer bij onze poort ligt te wachten”

De brandweer had de klus natuurlijk in een mum van tijd geklaard. “De twee palen moeten vervangen worden door de elektriciteitsmaatschappij, dat gaat wat kosten”, vertelde een brandweerman me. Ik was boos, omdat het vuur ei zo na mijn wijnkelder had bereikt en vroeg nadrukkelijk: “En wie gaat dat betalen?” De brandweerman grinnikte, terwijl hij in de richting keek van de bejaarde buurman, die met zwartgeblakerd gezicht en z’n schop in de hand naast het lege olievat stond waarin hij zijn afval had verbrand: “De belastingbetaler zeker? Je weet immers nooit waar zo’n vuur vandaan komt. Het zullen wel weer spelende kinderen geweest zijn.”

Ik denk aan hoe de kinderen van het dorp nooit meer met Bébé zullen spelen, ga de tuin in en stel me voor hoe de loebas nog één keer bij onze poort ligt te wachten en tegen me opspringt als ik een wandeling ga maken.

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content