Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Koen

Koens column: “De man van de bank is toondoof voor mijn hint naar wat meer beleefde afstand”

Koen Strobbe (57) keert na twintig jaar in het zuiden van Frankrijk met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten terug naar ons land.

Vandaag heb ik een afspraak met iemand van de bank. Natuurlijk niet in het bankkantoor zelf, maar via de telefoon zoals dat tegenwoordig gaat. En heel eerlijk: ik ben al blij dat ik niet met zo’n chat-robot word geconfronteerd. Het is een belangrijk gesprek, want nu we terug in België zijn, wil de bank graag haar zegje hebben over wat we met ons spaargeld gaan doen.

Ik heb de afspraak veertien dagen geleden al aangevraagd, via de app op mijn gsm en helaas was het enige tijdstip dat voor de financieel adviseur nog kon om halfacht ’s avonds, een moment waarop we hier normaal gezien gezellig samen aan tafel zitten te eten. Maar voor één keer niet dus. Er gaat een lasagne de oven in, want lasagne is zowat het enige gerecht dat zelfs nog beter wordt als het klaar is en toch nog een halfuur warm moet blijven.

“De Franse afstandelijkheid vind ik erover, maar als ik moet kiezen tussen dát of het gabbers-onder-elkaar toontje van deze man, dan toch liever het eerste”

Als mijn telefoon overgaat, krijg ik een dynamische jongeling aan de lijn, die – hoewel hij waarschijnlijk al de hele dag met klanten aan het bellen was en ik zijn laatste oproep ben – nog opvallend kwiek voor de dag komt. “Dag Koen,” steekt hij van wal, “Ludo hier, wat kan ik voor jou betekenen?” Ik wil Ludo spontaan vragen of wij elkaar misschien van ergens kennen, maar denk er net op tijd aan dat dit ge-jij en ge-jou wellicht de nieuwe manier is van banken om spontaan en vriendelijk bij de klant over te komen.

Dat is zo heel erg anders dan wat ik de voorbije jaren in Frankrijk gewoon was, waar zelfs buren elkaar nog met u aanspreken en de gemiddelde bankbediende zichzelf als mevrouw of meneer Dupont voorstelt als je naar haar of zijn naam vraagt. Die Franse afstandelijkheid vind ik er dan weer over, maar als ik moet kiezen tussen dát of Ludo’s gabbers-onder-elkaar toontje, dan toch nog liever het eerste.

“Wel, ik heb dit gesprek aangevraagd omdat u mij hopelijk wat meer kunt vertellen over de spaar- en beleggingsformules die uw instelling aanbiedt.” Twee keer de u-vorm in één zin laat aan duidelijkheid van mijn kant niets te wensen over, hoop ik. Maar Ludo is toondoof voor mijn hint naar wat meer beleefde afstand. Nadat hij naar het beknopte verhaal van onze financiële situatie en toekomstplannen heeft geluisterd, vraagt hij opgewekt: “Ség Koen, vertel eens: hoeveel wilde gij eigenlijk maandelijks opzijzetten, wa voor werk doede gij?”

“Ik vraag me af hoe het zover is kunnen komen dat zelfs banken dit soort toontje tegen hun klanten aanslaan”

Ik ben vergeten te vertellen dat Ludo vanuit Limburg belt en ik dus wellicht al blij mag zijn dat hij niet elke zin met “Seg Koen, mijne man”, begint. Terwijl mijn nieuwe vriend-bij-de-bank dynamisch blijft doorrazen, dwalen mijn gedachten af naar hoe het zover is kunnen komen, dat zelfs nobele instellingen als banken dit soort toontje tegen hun klanten aanslaan.

De tv kan me nog dagelijks verbazen met spotjes van mayonaisereclame waarin plat dialect gesproken wordt, of supermarkten die hun klanten aanspreken met kleuterwoorden als goebezigers. Eerst dacht ik dat ik gewoon oud aan het worden was, maar gelukkig vinden ook Kwinten en zijn vrienden die bij ons over de vloer komen dit soort al te familiaire omgang met mensen toch een beetje raar.

“De man die me net niet naar de maat van mijn ondergoed heeft gevraagd, klapt plots dicht nu ik zijn familiaire toontje omdraai”

Als Ludo uitgepraat is en mij belooft om alle cijfertjes waarmee hij me om de oren heeft geslagen netjes op papier te zetten en ze door te mailen, loopt het gesprek naar zijn einde. Het is ondertussen kwart over acht. Vanuit een welgemeende bezorgdheid voor mijn medemens vraag ik: “Zeg Ludo, en zit de dag er nu voor je op? Ga je straks gezellig nog take-away halen en in de luie zetel een beetje Netflixen?” Het blijft doodstil aan de andere kant van de lijn. Zo stil dat ik na enkele seconden lichtjes ongerust vraag: “Ludo?” Die stamelt bedeesd: “Euh, ja, misschien”, en zwijgt dan weer.

Ik vind het grappig dat de man die me de afgelopen drie kwartier figuurlijk de arm om de schouder heeft geslagen en mij net niet naar de maat van mijn ondergoed heeft gevraagd, plots dichtklapt nu ik zijn familiaire toontje gewoon omdraai. Als ik de woonkamer binnenkom, waar Ilse en Kwinten met het eten op mij wachten, schalt vanuit de tv een vrolijke mayonaisestem: “Aan tafel!”

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!