Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Koen

Koens column: “Ik heb onderschat hoeveel mensen Libelle lezen. Iedereen wil weten hoe het met ons gaat”

Koen Strobbe (57) keert na twintig jaar in het zuiden van Frankrijk met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten terug naar ons land.

“En, went het al een beetje?” Dat moet voor ons zo ongeveer de meest gehoorde vraag zijn de voorbije dagen. Iedereen wil weten hoe het met ons gaat, en of we ons leven onder de zon niet verschrikkelijk hard missen. Maar hoe raar het, ook voor onszelf, klinkt: eigenlijk is dat niet zo.

“Dat komt omdat we nog in onze wittebroodsweken zitten”, zegt Ilse moedig, hoewel de pijn om het verlies van haar papa door haar heen snijdt. Ze bedoelt dat letterlijk alles weer ‘nieuw’ is in ons oude vaderland. In de supermarkt leggen we een resem vertrouwde producten in onze winkelkar, zoals Luikse siroop, hagelslag en ‘kindjessuiker’, waarvan we de voorbije twintig jaar haast vergeten waren dat ze bestonden.

“Plots zijn familie en vrienden weer overvloedig bereikbaar”

Daarnaast halen we enorm veel in van wat we de afgelopen jaren gemist hebben: de ruime, moderne filmzalen die Zuid-Frankrijk niet kent, gezellige cafés waar het bier voor een keer géén fortuinen kost, de bakker waar zoveel meer keuze is dan enkel baguettes en nog twee of drie andere soorten brood.

En natuurlijk is er de plotse en overvloedige bereikbaarheid van familie en vrienden. Kwinten vindt het grappig dat we vrienden die nu even goedendag komen zeggen, achteraf niet ook te slapen moeten leggen. En hij kan er ook nog elke keer van genieten – want hij is een enorme liefhebber van spaghetti bolognese – dat het gehakt hier in België zo heerlijk fijn is. In Frankrijk zit het namelijk vol vetbrokjes en stukjes been. Om maar aan te geven dat ook de kleine dingen belangrijk zijn in een mensenleven.

Gisteravond kwam er onverwachts een Skype-oproep binnen van Aimé en Marceline. In het begin verliep het gesprek wat stroef, omdat de oudjes problemen hadden met hun gsm. Je zag aan hen dat ze er echt naar hadden uitgekeken om ons te bellen; Aimé had zelfs zijn haar gekamd en een kreukloos hemd aangetrokken.

“De dame vraagt: ‘Tiens, bent u niet die Koen die elke week vanuit Frankrijk zijn column schrijft?’ ‘Dan heeft u die van vorige week niet gelezen’, zeg ik”

“Het huis is anders, nu jullie er niet meer zijn,” wist Aimé te vertellen, “en de nieuwe eigenaars hebben de grote olijfboom aan de poort bijgesnoeid. In septémber in plaats van februari!” “Tss!”, zeiden Aimé en ik in koor, terwijl we allebei om ter hardst ons hoofd schudden. Ik moest hem beloven om minstens een keer per week te bellen.

Wat ik onderschat heb, is hoeveel mensen Libelle lezen. In Frankrijk kwam ik enkel via mails of berichtjes op sociale media in contact met mensen die mijn column volgen, nu verlopen de gesprekken live. “Tiens, bent u niet die Koen die elke week vanuit Frankrijk zijn verhaal schrijft? Wat brengt u naar hier?”, vraagt de dame van de bank waar ik sinds kort klant ben. Ze is verbaasd om mij hier in België aan haar desk te zien staan. “Dan heeft u de column van vorige week niet gelezen”, zeg ik gespeeld berispend, en haar hoofd loopt lichtjes rood aan. Na de nodige uitleg kijkt ze me vol medelijden aan.

Compassie is inderdaad zo’n beetje de rode draad in de reacties van de mensen, wanneer ze horen dat we terug zijn. “Hoe gaan jullie ooit nog kunnen wennen aan dat verschrikkelijke weer hier!”, horen we van alle kanten, en als ik dan vertel dat de hitte in Zuid-Frankrijk eigenlijk een beetje vergelijkbaar is met de regen hier: namelijk dat ze er allebei voor zorgen dat je binnen moet blijven, dan denken de mensen dat ik ze in de maling neem.

We hebben ook nog nooit zoveel Provençaalse wijn, olijfolie, olijven, worsten of geitenkaas voorgeschoteld gekregen als nu: allemaal denken ze dat we die dingen ‘verschrikkelijk hard moeten missen’ en bovendien heeft iedereen net een grote voorraad van vakantie meegebracht.

Maar het mooiste van al is de reactie van een vroegere collega bij wie Ilse en ik uitgenodigd zijn. Die heeft het helemaal niet over alles wat we ongetwijfeld moeten missen, maar kijkt ons met een gelukzalige glimlach aan en zegt: “Jullie zijn veranderd ginder. Dat jachtige is weg, ik zie dat jullie enorm goed in jullie vel zitten.”

“Zou het waar zijn?”, vraagt Ilse me achteraf in de auto. “Zou dat Zuid-Franse leven voor een stukje in ons gekropen zijn en ons getransformeerd hebben?” “Ik hoop het”, glimlach ik terug, en probeer maximaal te genieten van de rust in de auto, waarmee we voor de tiende keer deze week in een ellenlange file staan.

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!