Openhartig: de oorlog van ’40-’45… Hoe de kinderen van toen er nu nog van weten

Openhartig: de oorlog van '40-'45... Hoe de kinderen van toen er nu nog van weten
1944: A US soldier helps some children with their skipping. He is watched by his comrades in a town street in the south of England, lined with equipment awaiting shipment to France. (Photo by Evening Standard/Getty Images)

De Tweede Wereldoorlog tekende niet alleen de volwassenen voor hun leven, ook de kinderen dragen de gevolgen. Zelfs nu nog, exact 75 jaar na D-day.

Monique herinnert zich nog steeds elk detail van het bombardement van Mortsel

“Die nacht bleef de plek waar mijn zusje sliep leeg. In de kamer ernaast hoorde ik mijn moeder huilen. Die bommen hadden niet alleen onze school, maar ook ons gezin verwoest”

Monique (84): ”Op 5 april 1943 stond in Mortsel Oude-God de wereld even stil. Ik zat in het 3de leerjaar in de Sint-Vincentiusschool, in het oude gebouw aan de Edegemsestraat. We waren net teruggekeerd naar de klas na de namiddagspeeltijd. Ik herinner me dat we naailes kregen. Een klasgenootje deelde de naailappen uit die in een bruine kartonnen doos zaten, toen we plots een reeks oorverdovende knallen hoorden. Het meisje liet de doos uit haar handen vallen en met z’n allen renden we naar de deur om buiten te raken. Door de luchtdruk zat die klem. Pas toen de ruiten er uitvlogen, ging de deur weer open en liepen we naar de grote hal.

Wat we daar aantroffen, was hallucinant. De speelplaats was gevuld met dikke zwarte rook. Je zag geen hand voor ogen en proefde enkel stof. Omdat we nauwelijks konden ademen, hielden we onze zakdoek onder het waterkraantje, maar er kwam geen druppel uit. Dus bleven we staan, aan de grond genageld. Tot op vandaag hoor ik nog de knallen van de tweede aanval. Een oudere leerling sleurde me mee naar het tuintje van de conciërge. We gingen op de grond liggen. Ik was in shock. Hoelang ik daar heb gelegen, weet ik niet, maar één voor één werden er leerlingen naar het tuintje gedragen. Eén voor één werden ze afgedekt met witte lakens.

Aan de andere kant van de speelplaats stonden de nieuwe gebouwen. Niets bleef daarvan over, enkel een krater waar de bom was ingeslagen. Daar, in het klasje van het vijfde leerjaar, had mijn zus Liliane gezeten, maar in een oogopslag wist ik dat niemand de aanval had overleefd. Ik was mijn zusje kwijt, geen twijfel mogelijk.

Geweend heb ik op dat moment niet. Enerzijds was ik te versuft om te beseffen wat er allemaal gebeurde en tegelijk staat alles in mijn geheugen gegrift. Hoe ik naar de schoolpoort liep in een poging naar huis te gaan, maar ook daar enkel stootte op rook en puin. Hoe ik terugkeerde naar de speelplaats en mijn weg baande tussen de slachtoffers. Ik zie nog hoe de zusters in paniek rond renden. Zo’n vreemd gezicht, zo zonder hun witte kappen. Een meisje zat op de trappen, haar rug vol wonden. Haar vader kwam aangelopen en droeg haar op z’n rug naar buiten. Bijna als een buitenstaander zag ik de taferelen gebeuren. Tot onze buurman me opmerkte. Hij bracht me uiteindelijk ook naar huis.

Hoe blij mijn mama ook was dat ik goed en wel was thuisgeraakt, op dat moment bereikte hen ook het nieuws dat mijn zus het niet had overleefd. De ontreddering, het verdriet, ik krijg er nog steeds kippenvel van. Normaal gezien sliepen Liliane en ik in hetzelfde bed, maar die nacht bleef die plek naast mij leeg. In de kamer ernaast hoorde ik mijn moeder huilen. Die bommen hadden niet alleen onze school, maar ook ons gezin verwoest.

Al heeft die dag een grote impact gehad op ons leven, het verdriet kwam vooral naar voren in kleine dingen. Ik herinner me nog dat ik jaren later met een schep in de tuin aan het spelen was. ’Wat doe je?’ vroeg mama. Vrolijk antwoordde ik: ‘Ik maak een boot.’ Vanuit het niets begon ze me ineens uit te schelden. Ze had verstaan: ‘Ik maak hem dood.’ Het bewijst hoe diep haar verdriet zat. Hoe weinig er nodig was om het weer op te rakelen.

De school waar alles gebeurde, staat er nog steeds. En ondanks de gruwel die er zich afspeelde, is het voor mij tegelijk een vertrouwde plek waar ik warme herinneringen aan overhou. In de jaren vijftig heb ik er zelf nog lesgegeven. Het voelde als een roeping en ik genoot ervan om voor de klas te staan. Het bewijst dat je de dingen met de tijd een plaats leert geven. Dat je verder kunt gaan met je leven, ondanks dat je ze niet vergeet.

Vorige jaar ben ik nog naar de herdenkingsviering geweest van de ramp. Een aangrijpende ceremonie met muziek, witte ballonnen en een speech van een Britse kolonel. De jeugd van vandaag weet zelfs niet meer wat er zich ooit in ons dorp heeft afgespeeld. Dat zo’n ceremonie de verhalen levend kan houden, geeft mij alleen maar een warm gevoel.”

Dat de vader van Hilde in een concentratiekamp zat, eiste jaren later zijn tol

“De ontberingen hebben mijn vaders lichaam gesloopt. Op zijn 52ste kreeg hij een hartstilstand. Ik was pas achttien…”

Hilde (55): ”Mijn vader heeft als politiek gevangene in het concentratiekamp van Bergen-Belsen gezeten. Zelf vertelde hij er nooit over, maar de verhalen die over deze gruwelplek de ronde doen, zeggen genoeg. Aan alles was er een tekort: voedsel, water, onderdak…

Toen mijn vader vrijkwam, was hij vel over been. Hij woog amper 38 kilo en was zwaar ziek. Een jaar heeft hij moeten recupereren in Zwitserland, daarna is hij teruggekeerd naar België om zijn oude leven weer op te pikken. Hoewel mijn vader verschrikkelijke dingen heeft meegemaakt, heeft hij mij en mijn zussen daar nooit mee willen belasten.

Alleen in kleine dingen kwam zijn verleden naar boven. Dat mijn zussen en ik geen Duits mochten volgen op school bijvoorbeeld, omdat hij die taal niet meer kon verdragen. Op zijn 52ste, toen ik achttien was, is hij uiteindelijk gestorven. Een hartstilstand. Zijn lichaam gooide de handdoek in de ring. Naar mijn gevoel heeft zijn tijd in het concentratiekamp daar zeker voor iets tussen gezeten. Het kan bijna niet anders. Als zijn lichaam al die ontberingen niet had moeten doorstaan, had ik mijn vader ongetwijfeld langer bij mij gehad.”

Zonder de oorlog hadden de West-Vlaamse vader en Oekraïense moeder van Fedora elkaar nooit leren kennen

“In de puur Vlaamse gezinnen bleven alle potjes gedekt, bij ons werd er gediscussieerd. Ik vond dat een rijkdom”

Fedora (71): ”Zonder de oorlog was ik er niet geweest. Mijn West-Vlaamse vader en Oekraïense moeder leerden elkaar kennen in een Duits werkkamp. Ze werkten in verschillende delen van eenzelfde fabriek waar westerse arbeiders zorgvuldig van Sovjetburgers gescheiden werden.

Toch slaagden de twee erin contact te zoeken; tegen het einde van de oorlog – toen duidelijk werd dat de Duitsers het onderspit zouden delven – knepen hun bewakers al eens een oogje dicht. Sommigen gaven hun ontluikende liefde zelfs een zetje: ze speelden kleine briefjes door in gebrekkig schoolduits of veldbloemen die mijn vader voor mijn moeder had geplukt. Jaren later is mijn broer de kinderen van die bewakers nog gaan opzoeken. Het waren dus zeker niet allemaal onmensen.

Na de oorlog zijn mijn vader en moeder als koppel naar België teruggekeerd. Mijn moeder was toen al hoogzwanger van mijn oudste zus. Dat de ouders van mijn vader hen met open armen ontvingen, was in die tijd niet evident. In Duitsland waren er wel meer gemengde koppels ontstaan en in mijn vaders geboortedorp werd een ander hoogzwanger meisje gewoon op de trein terug naar Polen gezet. Weg ontluikende liefde, weg kind. Dat zijn menselijke drama’s.

Hoewel het voor mijn ouders niet altijd makkelijk moet zijn geweest, hebben zij dat gemengde huwelijk net omarmd. Ook ikzelf heb het altijd als een rijkdom ervaren. Ons gezin was anders dan de puur Vlaamse gezinnen waar alle potjes gedekt bleven. Bij ons werd er gediscussieerd. Gewoontes werden in vraag gesteld. Ik weet nog dat onze katholieke school een kruistocht hield. Terwijl de andere kinderen bij het krieken van de dag naar school werden gebracht, deed onze moeder daar niet aan mee. ’Ik heb jullie laten doorslapen, hoor. Zo vroeg, waar is dat goed voor?’

In 1963 – ik was toen vijftien – besliste mijn vader om met het hele gezin naar Oekraïne te reizen om onze grootouders te gaan bezoeken. In die tijd was dat een grote gebeurtenis. Ik herinner me nog dat de kloosterzusters van onze school gebeden prevelden en mijn ouders kwamen smeken om niet te vertrekken. Door de Koude Oorlog waren ze bang dat we nooit meer zouden terugkeren. Maar mijn ouders zetten door en de intrede in mijn moeders geboortedorp – na een reis van achttien uur lang – zal ik nooit of te nimmer meer vergeten.

Het hele dorp was in rep en roer voor onze komst. Met bloemen stonden ze ons in het station op te wachten. Mensen kropen op de trein en wij, de kinderen, werden over de hoofden van al die mensen het dorp in gedragen. Het is verschrikkelijk dat de oorlog zoveel levens heeft verscheurd, zoveel pijn en verdriet heeft veroorzaakt. Maar ons gezin, heeft het vooral liefde, avontuur en rijkdom gebracht.”

Tekst: Karolien Joniaux. Beeld: Getty Images

Lees ook:

 

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)