Bijna 8 op 10 jongeren spelen videospelletjes!
Bijna 8 op 10 jongeren (79%) spelen videospelletjes: op het internet, een spelconsole of een niet op het internet aangesloten computer. Ze spelen die spelletjes bijna iedere dag en dat gedurende meerdere uren per dag.
Vlaanderen versus Brussel
De markt van de videospelen loopt beter in Brussel dan in Vlaanderen en hoe jonger, hoe meer een kind geneigd is te gamen: 3 op 4 jongeren van 10-13 jaar spelen videospelletjes en de aantrekkingskracht neemt af met de leeftijd. De jongeren die behoren tot bescheiden sociale groepen, spelen meer dan het gemiddelde met videospelen, terwijl die spelletjes minder succes hebben in eenoudergezinnen met een mama alleen.
Meest populaire games
Jongeren lijken massaal te vallen voor de sport- en actiespelen. Dan volgen avonturenspelen, rollenspelen, bouwspelen (vooral meisjes) en educatieve spelletjes.
Zakgeld
Meer dan 1 op de vier jongeren die zakgeld krijgen, besteedt een deel daarvan aan de aankoop van videospelen. Na kleding en voeding, zijn videogames hét product dat kids met hun eigen geld aankopen.
Bijna alle jongeren hebben toegang tot een computer en tot het internet bij hen thuis. Meer dan de helft moet daarvoor zelfs zijn kamer niet uit. De spelconsole is minder ingeburgerd: minder dan 3 op 4 jongeren hebben er eentje thuis en minder dan de helft heeft er een op zijn kamer. Het is dan ook niet te verwonderen dat 8 op 10 jongeren zeggen dat ze meer op het internet spelen dan op de andere dragers.
Minder dan 1 op de 4 jongeren geeft aan dat ze regels opgelegd krijgen als het om spelen op de computer gaat. Op de leeftijd van 10 jaar mag meer dan de helft onbeperkt spelen en op de leeftijd van 17 jaar geldt dat zelfs voor 91% van hen. De helft van de jongeren die op het web spelen, geeft toe af en toe tegen of met onbekenden te spelen.
Het OIVO vindt het onontbeerlijk te zoeken naar een gezond evenwicht: ouders én de overheid moeten de jongeren aansporen om een gezond evenwicht te vinden bij het gamen. Ouders kunnen dat doen door hun kinderen goed te begeleiden én voor te lichten, de overheid zou sportieve en andere vrijetijdsbestedingen voor iedereen toegankelijk moeten maken zodat er vanzelf een beter evenwicht tussen gamen en “echt” spelen komt.