Het zwembad van Libby Page “Een stralend en hartverwarmend debuut”

Het zwembad van Libby Page "Een stralend en hartverwarmend debuut"

Rosemary woont al haar hele leven in de Londense wijk Brixton. Maar haar buurt is onherkenbaar veranderd; de bibliotheek waar ze vroeger werkte werd gesloten, de kruidenier die iedereen kende is nu een trendy bar en haar geliefde man, George, is overleden. Wat haar vooral nog plezier brengt, is zwemmen.

Kate is net verhuisd en voelt zich alleen in de grote stad. Ze is begonnen met haar eerste baan voor een lokale krant. Als het buitenzwembad van Brixton met sluiting wordt bedreigd, weet Kate dat dit een kans is op een goed verhaal. Rosemary weet dat dit het moment is waarop ze ook haar laatste strohalm kan verliezen.

De twee besluiten zich samen in te zetten voor het behoud van deze belangrijke plek in de wijk. Want het zwembad is meer dan alleen een plaats waar gezwommen wordt. Door hun actie laten Kate en Rosemary zien wat de waarde is van gemeenschap en van verbondenheid, en tonen zij hoe heel gewone mensen zich sterk kunnen maken voor datgene waar hun hart ligt.

Het zwembad: sneak peak

Loop het metrostation van Brixton uit en je belandt in een carnaval van steel drums, de witte ruis van het verkeer en die man op de hoek die tegen iedereen roept dat God van je houdt, zelfs tegen mensen van wie geen mens kan houden.

‘Tickets voor de Brixton Academy voor vanavond!’ roept een kaartjesverkoper bij de ingang van het station. ‘Kaartjes voor de Brixton Academy, inkoop en verkoop!’. Forenzen schudden hun hoofd tegen de proppers en predikers die flyers in hun tot vuisten gebalde handen willen stoppen. Je baant je een weg door de menigte en loopt langs de Rastafari die wierrook en vinyl verkoopt voor de Starbucks. Aan de overkant van de straat zit Morley’s, het onafhankelijke warenhuis dat daar al jaren gevestigd is. ‘Love Brixton’ staat in gloeiend neonlicht te lezen in de etalage van de nabijgelegen TK Maxx.

Vandaag bloeien er lentebloemen in de emmers van de bloemenkraam: narcissen, tulpen en dikke pioenrozen. Achter de kraam staat een oude man met een donkergroen schort voor en met aarde onder zijn nagels en een gouden ketting om zijn nek. Wat voor weer het ook is, hij verkoopt zijn bossen ‘Het spijt me’ en ‘Ik hou van je’ voor een zacht prijsje. Bruin papiertje eromheen, lintje erom, klaar.

Naast het station zit Electric Avenue: het krioelt er van de mensen bij de kraampjes waar je alles kunt kopen, van groenten tot telefoonopladers. Het ruikt er naar zoete meloenen en zilte vis. Die vis ligt op bedjes van ijs dat in de loop van de dag verkleurt van wit naar roze, zodat je weet dat je nooit roze sneeuw moet eten.

Marktkooplui smijten elkaar hun lage prijsjes naar het hoofd; vliegen als frisbees naar de overkant van de straat. Vang ze snel, en gooi ze terug.

‘Drie voor een tientje, drievooreentientje.’

‘Wat een koopje, drie voor een vijfje, DRIEVOOREENVIJFJE.’

‘Drie voor een vijfje? Hier vijf voor een vijfje!’

Een jonge moeder met een baby trekt een boodschappenkar achter zich aan over de markt, en manoeuvreert die langs platgeslagen kartonnen dozen en op de grond gevallen bananenblad. Ze loopt langzaam, stopt hier en daar om groente te inspecteren, pakt ze op en draait ze om als een hondenfokker die een puppy onderzoekt. De uitverkoren exemplaren worden geruild voor muntgeld dat ze uit haar portemonnee vist. Een man neemt een foto van een kraam, zijn ogen gefixeerd op de kleuren van de waren zoals de cameralens van zijn telefoon die ziet. Dan loopt hij weg om een diepvriesmaaltijd te gaan halen bij Iceland.

Aan de andere kant van de straat loopt Kate snel in tegenovergestelde richting, op weg naar huis van haar baan als journaliste bij de Brixton Chronicle. Ze heeft geen tijd om naar groente te kijken. Of misschien weet ze gewoon niet waar ze naar zou moeten zoeken. Het mag dan lente zijn, Kate leeft onder een wolk. Die volgt haar waar ze maar gaat, en hoe ze ook haar best doet, ze kan er maar niet aan ontsnappen. Ze baant zich een weg door de mensenmassa, en wil dolgraag naar huis, de deur achter zich dichttrekken, haar bed in. Als ze niet op het werk is, is dat bed waar ze de meeste tijd doorbrengt. Op straat probeert ze de geluiden om zich heen buiten te houden, zich er niet door te laten overmannen, overweldigen. Ze kijkt naar de grond en concentreert zich op de stoeptegels.

‘Pardon,’ zegt ze, en haalt zonder op te kijken een mollige oudere dame in.

‘Sorry,’ zegt Rosemary, terwijl ze zich door Kate laat inhalen. Ze ziet de rug van de jonge vrouw van zich weg snellen – een kleine vrouw met een halflange lichtbruine paardenstaart die op de snelheid van haar passen heen en weer zwaait. Rosemary glimlacht, en denkt aan hoe het was om in haast te leven. Met haar zesentachtig jaar doet ze bijna niets meer snel. In plaats daarvan loopt ze langzaam met haar boodschappen van de markt naar haar appartement aan de rand van Brockwell Park. Ze gaat eenvoudig maar keurig gekleed in een broek, gemakkelijke schoenen en een regenjas, en draagt haar dunne, golvende haar uit haar gezicht met een haarklem. In de loop der jaren is haar lichaam zo veranderd dat ze het nauwelijks nog herkent, maar haar ogen zijn nog net als vroeger – felblauw en lachend, zelfs als haar mond niet meelacht.

Vandaag is Rosemary’s boodschappendag. Ze heeft een rondje langs al haar favoriete winkels en stalletjes gedaan, Ellis van het fruit en de groenteman gedag gezegd, en haar wekelijkse lading eten ingeslagen. Ze is even het boekenantiquariaat van Frank en zijn vriendin Jermaine binnengegaan. Met zijn drieën maakten ze een praatje, en Rosemary deelde hun vensterbank met de golden retriever, Sprout, en keek daarna op de planken of er iets nieuws voor haar bij zat, of iets wat ze verleden week misschien over het hoofd heeft gezien. Ze vindt het fijn om daar even te zijn om de muffe geur van honderden boeken in te ademen.

Na de boekenwinkel deelt ze altijd een stuk taart met haar vriendin Hope in hun favoriete koffiezaakje in Brixton Village, de overdekte markt achter Electric Avenue. Rosemary en Hope noemen het nog steeds Granville Arcade, de oude markt en de enige plek waar Hope de Caribische etenswaren kon kopen die ze zo miste toen ze op haar twaalfde in Brixton kwam wonen. Inmiddels stikt het hier van de restaurantjes,

winkeltjes en kraampjes. Ze kunnen er nog steeds niet goed aan wennen, maar zijn dol op de koffiezaak waar de jonge barista precies weet wat ze willen hebben en al aan hun bestelling begint als ze hen door het raam ziet aankomen. En de taart is er heerlijk.

Zodra Rosemary de Village binnenstapt, komen de geuren van specerijen en het lawaai van mensen die aan de tafeltjes in de passages zitten te praten en te eten haar tegemoet – precies dezelfde geluiden die ze altijd hoort tijdens haar wekelijkse bezoekjes. De markt is tochtig en sommige restaurantjes bieden hun clientèle dekentjes aan om over hun schouders of schoot te draperen onder het eten. Er hangen slingers met lichtjes aan het hoge plafond waardoor het zelfs in de lente nog voelt als een kerstmarkt.

Hope en Rosemary drinken hun koffie en kletsen. Hope vertelt trots over haar kleindochter Aiesha en haar dochter Jamila – als altijd druk met werken. Rosemary mag graag terugdenken aan toen Jamila, haar petekind, slaagde voor haar studie geneeskunde. Ze had haar een bos bloemen gestuurd, met op het kaartje: ‘Lieve dokter…’

Hope en Rosemary halen herinneringen op aan de tijd dat ze samen in de bibliotheek werkten, zoals elke week.

‘Weet je nog dat Robert eindelijk moed had verzameld om je voor het eerst mee uit te vragen?’ vraagt Rosemary met een glimlach. Hopes man Robert was buschauffeur voor hij een paar jaar geleden met pensioen ging, en toen ze allebei nog jong waren, kwam hij na zijn dienst een paar keer per week in de bibliotheek om gretige blikken te werpen op Hopes zandloperfiguur.

‘Hij deed er anders lang genoeg over,’ zegt Hope. ‘Ik zal nooit vergeten dat jij altijd een ladder op schoot om boeken op hun plek te zetten als hij er was, zodat hij wel met me moest praten.’

De twee vrouwen lachen samen, en genieten allebei van dit deel van de week. Maar inmiddels doen Rosemary’s voeten pijn en wil ze weer naar huis.

‘Volgende week zelfde tijd?’ vraagt Rosemary bij het afscheid, en als ze haar vriendin omhelst, realiseert ze zich dat Hope nu met haar achtenzestig jaar ook een oude vrouw is. Ze drukt haar iets steviger tegen zich aan – wat Rosemary betreft blijft ze altijd dat vrolijke jonge ding dat op haar achttiende bij de bibliotheek kwam werken en dat Rosemary onder haar hoede had genomen.

‘Volgende week zelfde tijd,’ beaamt Hope, en ze zwaait nog even voor ze de hoek omslaat en Aiesha van school gaat halen (haar liefste moment van de dag).

Rosemary loopt langs de rijen bij de bushaltes en steekt het kruispunt over met op de hoek de oude bioscoop die de namen van de films die er deze week draaien met witte letters op een zwarte ondergrond spelt. Ertegenover ligt een groot plein waar oude mannen op stoeltjes zitten te roken, terwijl pubers om hen heen skateboarden.

Verder van het station gaan de winkels over in rijtjeshuizen en appartementengebouwen. Uiteindelijk komt ze bij Hootananny, de gammele pub die beroemd is om de live muziek. De lucht van marihuana drijft vanaf de houten bankjes voor de pub, waar groepjes mensen biertjes drinken en roken. Hier slaat ze linksaf en volgt de straat om de rand van het park, in de richting van het flatgebouw waar ze woont.

De lift, vaak kapot, doet het en dat lucht haar op.

Rosemary woont al bijna haar hele leven in de flat. Ze is er met haar man George ingetrokken toen deze buurt net opgeleverd was, en zij pas getrouwd waren. Via de voordeur loop je meteen de zitkamer in, waar het opvallendste meubelstuk de boekenkast is die de hele muur aan de rechterkant in beslag neemt.

In de keuken naast de zitkamer staat een tafel met twee stoelen en een tv die op de wasmachine is gezet. Als Rosemary haar boodschappen heeft uitgepakt, loopt ze de zitkamer door, doet de deuren open en stapt haar balkon op. Haar donkerblauwe badpak hangt als een vlag aan de waslijn. Er staan hier ook planten: gewoon een paar potjes met lavendel, niks geks – dat zou niet bij haar passen. Vanaf hier heeft Rosemary uitzicht op Brockwell Park dat zich voor haar uitstrekt. Hier is ze ver weg bij het lawaai en al die mensen op Electric Avenue.

De lente is aan het uitbotten en het park draagt een frisse, groene jas. Ze ziet bomen, tennisbanen, een tuin en een heuveltje met een oud gebouw erop dat ooit een landhuis was en dat nu wordt gebruikt voor evenementen. En er worden ijsjes en snacks verkocht aan kinderen met plakvingertjes. Er lopen twee spoorbanen om het park heen: de echte, die dwars door Zuid-Londen loopt en een miniatuurversie die alleen in de zomer in gebruik is en alleen heel kleine kinderen vervoert. De zon gaat net onder, en Rosemary ziet mensen hun wandelingetje na het werk maken, genietend van het feit dat de dagen langer worden. Hardlopers rennen weer de heuvel op en neer. En aan de rand van het park, vlakbij haar balkon, slaat een laag gebouw van rode bakstenen zijn armen om een perfecte, blauwe rechthoek. Het zwembad is gestreept door de touwen die het in banen verdelen en ze ziet handdoeken langs de rand liggen. Zwemmers drijven als bloemblaadjes op het water. Het is een plek die ze goed kent. Het is het zwembad. Haar zwembad.

Meer lezen? Het Zwembad van Libby Page, Uitgeverij AW Bruna, nu te koop in de boekhandel! Liever online? Koop het boek dan hier

Ook lezen:

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)