Het Libelle Zomerverhaal: deel 1

Het Libelle Zomerverhaal: deel 1

Zomer 1988. Twee families trekken samen naar Oostenrijk. Maar een bekentenis tijdens de heenreis zet alles op losse schroeven. Raken ze ooit op hun bestemming, Schoppernau? Houdt de vriendschap stand, daar in de bergen? En wordt het alsnog een leuke vakantie, met z’n allen in één chalet? Dat lees je 7 weken lang op onze site.

Elly voelde zich doodmoe, zoals enkel moeders doodmoe kunnen zijn. Het was half zes ’s morgens, ze had nog geen vijf uur geslapen. Tot na middernacht had ze voor iedereen koffers gepakt, onderbroeken gevouwen, kniebroeken gestreken, lijstjes gemaakt voor buurvrouwen Rita en Anita die beloofd hadden om de post te sorteren en de planten water te geven. Vanmorgen was ze vroeg opgestaan om sandwiches te smeren en te beleggen met ei – dat wordt niet slecht, zeggen ze –, alle stekkers uit de stopcontacten te trekken en een laatste keer de rommel op te ruimen die iedereen altijd maar liet rondslingeren, alsof die spullen dan wel weer vanzelf op hun plek belanden. Terwijl iedereen al in de auto zat te wachten, was ze nog snel gaan checken of niemand de wc was vergeten door te spoelen. En dan waren ze vertrokken, in het oranje schemerlicht van de ochtend. De zoetgevooisde stem van Glenn Medeiros weerklonk door de boxen van de lichtblauwe Mazda 626 van de familie Mareels. Ze lieten de wijk, de slapende mensen, het dorp langzaam achter zich en reden richting E313. ‘Nothing’s gonna change my love for you. You lalala lala lala… I love you.’ Maar de muziek bracht weinig sfeer, integendeel.

Ze waren nog maar net vertrokken of het gezeur in de auto was al begonnen. Kleine Kristof, net zeven, had nu al drie keer gevraagd had of het “nog ve” was. Ver bedoelde hij, maar hij kon de ‘r’ nog altijd niet goed uitspreken, zeker niet achteraan een woord. Hij maakte vooruitgang, zei de logopedist, traag maar zeker. Maar toch vooral traag. Elly wist er alles van. Want wie anders dan zij reed er nu al bijna een jaar lang elke woensdagnamiddag met Kristof naartoe? Zestien kilometer, drie dorpen verderop. Maar dat was dan wel de beste logopedist uit de regio, had ze van horen zeggen.
“We moeten nog wel even rijden, ja. Zeker tot na de middag”, antwoordde Elly voor de derde keer. “Het is nog zo vroeg, nog nacht eigenlijk. Probeer nog een beetje te slapen. Pak je kussen en je knuffel.”

En dan was er ook dochter Kathleen, die het een goed idee had gevonden om nog maar eens te pleiten voor een ándere bestemming dan Oostenrijk. Veertien was ze, volop in de pubertijd. Ze wilde veel liever naar Spanje, naar het strand. Chillen op een handdoek, luisteren naar haar walkman, kijken naar de jongens.

Elly geeuwde nog eens, dit keer voluit. Ze wist al dat er zich meteen een discussie met John op gang zou trekken, en hoe die zou verlopen. Zo voorspelbaar was haar man intussen wel, na meer dan twintig jaar. Hij zou vol bravoure vertellen wat er volgens hem allemaal mis was geweest met hun jaarlijkse vakantie aan het strand: zand, water, zonnecrème.
“Waarom we niet gewoon zoals elk jaar naar het strand gaan?! Wel, ik zal eens vertellen waarom we niet gewoon opnieuw naar het strand gaan, zie.”
“Nee hé, pááá!”, riepen Kathleen en Kristof in koor vanop de achterbank. Ook Elly draaide met haar ogen, ze kon een geeuw nauwelijks onderdrukken.
“Omdat ik geen zin heb om met een hoop halfblote mensen samen op een berg vuil te gaan zitten. Want dat is zand hé: vuil, dat overal in huis ligt. ‘En de zee, John,’ zeggen de mensen, ‘dat is toch tof?’ Nee, dat is gewoon vuil water dat te koud is om in te zwemmen. Vol zout ook, dat pikt in je ogen.”
“Goh, pááá, we weten het nu wel!”
“Maar weet je wat ik het ergst van allemaal vind?”
Iedereen kende het antwoord allang, zelfs de kleine Kristof. Zo vaak had papa dit betoog al gedaan. Maar niemand reageerde.
“De combinatie zonnecrème-zand. Ja, want je moet jezelf insmeren natuurlijk, in Spanje. Anders verbrand je waar je bij staat. Maar die zonnecrème blijft aan je handen kleven die vol zand hangen, en dan komt dat mengsel in je ogen terecht en dat pikt ook… Ik ben toch niet de enige die daar gek van word, wel?”

John keek in de achteruitkijkspiegel: Kathleen en Kristof hadden geen oren meer naar het betoog van hun papa, wel voor hun walkman. Cassetjes, kruiswoordraadselboekjes, de pocketeditie van ‘Zeeslag’ en talloze varianten op ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’, daarmee zouden de kinderen zich moeten bezighouden tot ze in Oostenrijk waren, hun eindbestemming. Schoppernau om precies te zijn, in het Bregenzerwald.
“Ja, maar Elly, het is toch waar, hè schat?”
Elly kon de moeite niet opbrengen om te reageren.
“Jaja, sjoeke”, zuchtte ze dof.

“Het idee om naar Oostenrijk te gaan was gekomen op nieuwjaarsdag, toen The Sound of Music op tv was. Elly wilde ook dartelen door een alpenweide met de kinderen

Deze vakantie zou Elly goeddoen. Móést haar goeddoen, ze had het nodig. Het was trouwens haar idee geweest om naar Oostenrijk te gaan. Niet dat van John, al had die er hoegenaamd niks op tegen om eens niet naar het strand te gaan. Het was gekomen op nieuwjaarsdag, toen zoals altijd ‘The Sound of Music’ op tv was. De kinderen lagen al in bed, John lag met een bruistablet en een kater in de zetel in de voorkamer. En toen Elly Maria daar zag zingen en dansen van Do, a deer, a female deer… en flirten met die knappe, stille Von Trapp, bedacht ze: ‘Dát wil ik ook.’ Zonder de nazi’s dan, natuurlijk. Maar dat dus. Elly zag zichzelf al dartelen door een groene alpenweide met de kinderen achter zich aan, zingend. Terwijl de heilzame berglucht haar hoofd helemaal zou leegmaken van alle beslommeringen van alledag.

Want ze zei het niet hardop, maar ze was óp na alles wat er gebeurd was, en vooral na alles wat níét gebeurd was. Diep vanbinnen gaapte een grote leegte en vermoeidheid waar niemand weet van had. Al jaren probeerde ze alle ballen tegelijk in de lucht te houden, haar parttimejob in het ziekenhuis te combineren met de fulltime zorg voor de kinderen en het huishouden. Ze zorgde ervoor dat er elke dag vers eten op tafel stond. En ze deed ook haar best om er een beetje goed uit te zien voor John – wat niet makkelijk was na een relatie van intussen toch een dikke twintig jaar. Ze wilde wel op haar lijn letten, maar stopte te veel speculaasjes in haar mond doorheen de dag. Bij elk tasje koffie één, en dan ’s avonds de rest van het pak voor de televisie. Het was haar manier om zichzelf iets te gunnen, zich twee minuten te laten gaan in een dag die voor de rest bestond uit regelen en controleren.

De Mareelskes en de Vereeckens zouden deze zomer samen op vakantie gaan! Oké, ze waren al een beetje beschonken, maar ze klonken er nóg eens op. “Dat gaat plezant worden, mannekes!”

Ze had wel erg veel aan haar hoofd gehad de laatste tijd. En om nu te zeggen dat alles perfect verlopen was… Haar relatie met John stond al langer op een laag pitje. Naast elkaar zitten en tv kijken, elk hun favoriete programma, zo vulden ze hun avonden tegenwoordig. Hij naar ‘Sportweekend’, zij naar ‘Neighbours’. En naar ‘Matlock’, ‘Poirot’, ‘Het Pleintje’… Toegegeven: ze keek vaker tv dan hij. En het was niet dat ze niet meer vreeën of zo, maar echt goeie seks? Dat was toch ook al een tijdje geleden. Maar ach, dat komt voor in de beste relaties, toch? De frisse, Oostenrijkse berglucht zou dat allemaal oplossen. Als het voor Maria kon – en dat was toch eigenlijk een non, nietwaar? – dan zeker voor Elly.
***
De dag nadat ze zichzelf als Maria door die alpenweide had zien dartelen, waren ze uitgenodigd voor een nieuwjaarsdrink bij de familie Vereecken van twee huizen verderop, onder het motto ‘beter een goeie buur dan een verre vriend’. Het was buurvrouw Liliane die enthousiast de deur had opengedaan.
“Kom erin! O bedankt, wat een mooie bloemen. Zeg, en drie kussen natuurlijk. Het is feest, hè. En de beste wensen voor 1988! Hebben jullie al goed gevierd? O Kathleen en Kristof, jullie zien er zo mooi uit! Wat mag ik jullie wensen voor het nieuwe jaar?”
De kinderen reageerden wat onwennig op de veel te enthousiaste Liliane. Haar te rode lippenstift, in combinatie met die bleke winterhuid van haar, stond haar niet geweldig. Die volwassenen ook altijd, met hun holle vragen. Alsof ook maar iemand echt geïnteresseerd zou zijn in haar antwoord, dacht Kathleen. Ze antwoordde niet en staarde onwennig naar de grond.
“Rogier, Rogier! Elly en John zijn hier! Ramses, Quinten, kom eens naar beneden, jongens!”
Rogier kwam de gang binnen. Elly moest twee keer kijken, ze wist niet goed of ze het wel juist had gezien. Een knapperd was Rogier sowieso nooit geweest. Maar nu had hij ook nog zijn snor afgeschoren en zijn dunne baardje laten staan… Hij leek nóg meer op een tuinkabouter dan anders. John, naast haar, kon een klein lachje amper onderdrukken. Ze gaf hem ongemerkt een stevige por.
“Gelukkig Nieuwjaar, Rogier! Kom hier!”
De twee mannen gaven elkaar ongemakkelijk een hand.
“Wees welgekomen, chers amis”, zei Rogier op dat typische theatrale toontje van hem. “Mag ik jullie jassen alvast aannemen, s’il vous plaît?”
“Ramses! Quinten! Naar beneden! Nu!”, riep Liliane nog een keer. Twee deuren piepten open. Eerst kwam Quinten de trap af, met zijn acht jaar de jongste en de reden dat ze sinds kort zulke goeie vrienden geworden waren met de buren. Quinten was immers het ploegmaatje van de kleine Kristof op de voetbal. En ja, dat schept toch een band: zo met zijn allen kwaad roepen naar de scheidsrechter als de jongens weer eens niet de strafschop kregen waar ze recht op hadden. Nu ja, met z’n allen… Het waren toch vooral John en Liliane geweest die op zaterdagmorgen in de kou en de regen aan de zijlijn stonden. Rogier bleef er zo vaak mogelijk weg. Te volks, te weinig klasse voor zijn smaak. En ook Elly bleef meestal thuis. Als ze niet hoefde mee te gaan, bleef ze graag wat langer in haar nachtjapon op zaterdagmorgen, daar kon ze echt van genieten.

Quinten trok Kristof aan zijn arm mee naar binnen, waar de chips al klaarstonden. “Kom, er is zout, paprika én pickles!”
“Hmm, pap’ika”, antwoordde Kristof.
Liliane keek bezorgd naar Elly. “Nog altijd niet?”, vroeg ze.
“Het gaat al beter en soms lukt die ‘r’ wel, maar ja… Zoals je kunt horen…” zuchtte Elly.
“Ach, dat komt nog wel”, suste Liliane. En dan kwam ook Ramses de trap af. Met merkbare tegenzin en sloom, zoals alleen zestienjarigen sloom kunnen zijn.
“Wees nu toch eens wat vrolijker, jongen”, zei Liliane verontschuldigend. En dan tegen Elly en John: “Die pubers toch, hè. Ik weet soms echt niet wat…” Ramses, duidelijk gegeneerd door zijn moeder, haalde zijn schouders op, krabde eens door zijn haar en slofte naar de living.

Het was uiteindelijk wel gezellig geworden die avond. Heel erg zelfs. Zo gezellig dat Elly, na een paar glaasjes wijn, enthousiast begon te vertellen over haar droom om komende zomer eens niet naar Spanje te gaan, maar wel naar Oostenrijk waar de hills alive zijn door the sound of music. Liliane had de film ook gezien, en wilde net als Elly dartelen door die alpenwei.

John, intussen stevig boven zijn theewater, sloot zich aan bij de dames. “Ik vind dat ons Elly gelijk heeft.” Hij was niet zozeer vóór Oostenrijk, maar wel tégen Spanje. “Alles liever dan dat domme strand. Weet je, in Spanje is het zo warm, daar kun je een eitje bakken op straat, gewoon op de borduur. Maar niet tussen één en vier uur ’s middags, want dan is het zelfs daar te warm voor, haha.” John moest zelf hartelijk lachen om zijn eigen grapje. Liliane lachte gulzig mee, Rogier glimlachte afgemeten. Elly reageerde niet. Ze had dit mopje van haar man al iets te vaak gehoord. Als hij nu maar zou stoppen met drinken voor het helemaal gênant werd.

Het toeval wilde dat de Vereeckens die zomer sowieso al naar Oostenrijk zouden gaan. Ze hadden ook al het perfecte vakantiehuisje gevonden via Rita, een andere buurvrouw. Een prachtige, authentieke en ruime chalet in Schoppernau, op een kleine acht uur rijden van hier. Rogier, gepassioneerd door natuur, literatuur en zwart-witdocumentaires over de twee wereldoorlogen, had zelfs al de bergwandelingen uitgestippeld.
“Zeg mannen, denken jullie wat ik denk?”, vroeg Liliane met een dubbele tong. Ze goot de vier glazen nog eens goed vol. Elly twijfelde geen seconde. Gisteren nog maar droomde ze luidop van de bergen, en nog geen 24 uur later leek die droom uit te komen. Ook John en Rogier hadden geen bezwaar, zo laat op de avond, in beschonken toestand. De Mareelskes en de Vereeckens zouden deze zomer samen op reis gaan naar Oostenrijk. Ze klonken er zelfs nog eens op. “Dat gaat plezant worden, mannekes!”
***
En zo zaten ze dus in hun Mazda 626 op weg naar Schoppernau. Johns tirade over het strand was voorbij, in stilte concentreerde hij zich nu op de weg en op de donkergroene Audi 80 van de Vereeckens, die voor hen uit reed. Kristof op de achterbank leek in te dommelen, Kathleen was helemaal verdwenen in haar muziek. Voor het eerst sinds weken ontspande Elly een beetje. De komende uren had zij amper iets te doen, behalve wat mee volgen op de kaart en kijken naar het veranderende landschap buiten. Eigenlijk was ze het ook wel eens met John: geen gedoe met zand en zonnecrème dit jaar, in plaats daarvan gingen ze genieten van de prachtige natuur, de bergen, die weidsheid waar Rogier de afgelopen maanden al zo vaak over verteld had… Alleen al het idee bracht rust in haar hoofd.

Net op het moment dat Elly zichzelf wilde trakteren op een speculaasje, floepte kleine Kristof het eruit. Er ging een schokgolf door de auto. “Wát zeg jij, Kristofke?”

Nu ze het dorp achter zich gelaten hadden, kromde ze haar rug eens, strekte ze haar armen boven haar hoofd en streelde ze zachtjes over de arm van John. Die keek opzij en vroeg: “Waarom doe je dat?”, maar ze had gewoon geglimlacht. “Zomaar.” En ze deed het nog eens, zomaar. De ochtendzon kwam net boven de horizon piepen. Oranjerood en prachtig. Alsof het een teken was: het zou fantastisch worden, wünderbar.
Net op het moment dat ze zichzelf wilde trakteren op haar eerste speculaasje van de dag en in haar handtas begon te grabbelen, floepte de kleine Kristof het eruit. Argeloos, bijna enthousiast zelfs.
“Papa, papa, voo’ jou wo’dt dit wel een heel leuke vakantie, hè. Kun je kusjes geven met onze mama én met de mama van Quinten.”
Elly stopte met grabbelen in haar handtas en keek naar John, die een fractie van een seconde per ongeluk op de rem ging staan. Er ging een schokgolf door de auto. “Wát zeg jij, Kristofke?”, vroeg Elly verbouwereerd.
“Wel ja, ik heb dat gezien. Op de voetbal toen. Het is toch waa’, papa?”
“Is dat waar, John?” Ze keek nog steeds naar haar man, die snel en half lachend antwoordde: “Maar nee, natuurlijk niet. Wat zeg je nu, Kristof? Allez, slaap jij nu nog maar een beetje, zoals mama gezegd heeft.” Ze hield haar blik nog steeds strak op hem gericht, John verweerde zich opnieuw. “Maar allez, Elly, je gelooft dat kind toch niet? Die heeft zich weer vanalles in zijn hoofd gehaald. Je weet toch hoe kinderen zijn. Allez, ik met Liliane, dat zou toch te zot voor woorden zijn?”

Elly snoof. Ze voelde haar maag keren en graaide nogmaals in haar tas – raak dit keer –, nam het pak speculaas eruit en scheurde het open. Ze stopte het koekje in één keer in haar mond en keek opnieuw naar John, die haar blik voelde priemen.
“Elly, hij heeft dat gewoon verkeerd gezien!”, riep hij, een stuk kordater dan daarnet.
IJzige stilte. Enkel Glenn Medeiros probeerde nog steeds hardnekkig de sfeer erin te houden, met dat hoge stemmetje van hem. ‘One thing you can be sure of, I’ll never ask for more than your love…
“Mama? Mama?!”, riep de kleine Kristof.
Er kwam geen reactie.
“Ma-ma-ááá! Is ‘t nog ve’?”
“Nog achthonderd kilometer, schat. Dat is nog ver, ja. Héél ver.”

Volgende week deel 2: de affaire

Tekst: Wim Hellemans & Annelies Dyck – Illustratie: Mireille Kouwenberg

Lees ook:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)