Het Libelle Zomerverhaal: deel 2

Het Libelle Zomerverhaal: deel 2

Zomer 1988. Twee families trekken samen naar Oostenrijk. Maar een bekentenis tijdens de heenreis zet alles op losse schroeven. Raken ze ooit op hun bestemming, Schoppernau? Houdt de vriendschap stand, daar in de bergen? En wordt het alsnog een leuke vakantie, met z’n allen in één chalet? Dat lees je 7 weken lang op onze site.

Wat voorafging
Nog voor de Mazda van de familie Mareels de autosnelweg op is, vertelt zoon Kristof dat hij papa heeft zien zoenen met buurvrouw Liliane Vereecken. De Vereeckens zijn, met hun eigen wagen, ook op weg naar Oostenrijk.
***
We hebben enkel nog wienerschnitzel.
Es gibt nur noch Wienerschnitzel.
Bent u vliegtuigpiloot?
Sind sie Flugkapitän?
Neen, ik ben tabakimporteur.
Nein, ich bin Tabakimporteure.
We wisten van niets.
Wir haben es nicht…
Klik.

Als Liliane nog één Duits zinnetje had moeten aanhoren, was ze ontploft. Al een eeuwigheid zaten ze in hun groene Audi 80 te luisteren naar een cassetje met Duitse les. Een idee van Rogier, natuurlijk. Om gek van te worden. En dus had Liliane op de knop geduwd, de radio af.
“Kan er hier nu voor één keer niet gewoon een gezellig muziekje op, zoals bij normale mensen?!”
“Maar Lili, dat is toch interessant?”, reageerde Rogier verbouwereerd. “Op deze manier poetsen we ons Duits op terwijl we rijden. Het nuttige aan het aangename koppelen heet dat. Bovendien is het ook leerrijk voor de jongens.”

Liliane ergerde zich de laatste jaren aan Rogier. Maar ze zweeg. Want zwijgen kon ze. Dat had ze geleerd.

Het was een lieve, zorgzame en – bij momenten – interessante man met wie Liliane nu al dik twintig jaar samen was. Maar dat pedante toontje, daar ergerde ze zich de laatste jaren steeds meer aan. Net als aan dat baardje, trouwens. Waarom had Rogier dat niet mee afgeschoren toen hij – op haar vraag – zijn snor had weggedaan? Ze dacht dat het wel duidelijk was dat ze én snor én baard bedoelde. Maar nu liep hij dus al een half jaar rond met zo’n onnozel ringbaardje. Ze zweeg er maar over. Want zwijgen kon ze, Liliane. Dat had ze geleerd.

“Dat kan allemaal goed zijn, Rogier, dat het leerrijk is. Maar als ik nog lang naar dit moet luisteren, ben ik bang dat ik jou straks op je Kopf mep.”
“Enfin, Kopf, je hebt er al iets van opgestoken!”
“Ik meen het, Rogier!”
“Rustig, Lili. A l’aise. Weet je wat? Zet maar gewoon op wat je zelf wil. N’importe quoi.”
Dat bekakte Frans altijd, ook dat irriteerde haar mateloos.
Liliane zette de radio weer aan. Het had geen seconde langer moeten duren. Gelukkig was het net Tony Esposito op de radio, dat vond ze een leuk liedje. Zomers. Sexy. ‘Papa Chico, you’re the sun, nananana nana nana...’ Ze sloot haar ogen en neuriede mee. Nog even en ze zouden er zijn.
***
Dat Liliane zo bitsig reageerde, had niet alleen te maken met de pseudo-intellectuele meninkjes en gewoontes van Rogier. Daar had ze doorheen de jaren – in stilte weliswaar – mee leren leven. Gewoon negeren en dan stopte hij uiteindelijk wel. Nee, de echte stress was begonnen tijdens de afgesproken picknick met de familie Mareels, intussen bijna twee uur geleden op een Raststätte in het Duitse Ulm.
Zodra ze geparkeerd en uitgestapt waren, had Liliane gemerkt dat er iets fout zat. In Elly’s ogen zag ze iets wat ze meteen herkende: razernij. Het was duidelijk dat de twee ruzie hadden gemaakt. Dat deden ze wel vaker, wist Liliane. Ze zag het ook weleens aan John als ze op zaterdagmorgen aan de zijlijn stonden te supporteren voor de ploeg van de jongens. Dan vertelde hij dat Elly de avond ervoor weer vroeg in bed was gekropen, moe van haar werkweek. En dat ze er weer eens over geklaagd had dat hij te veel gedronken had of niet genoeg aandacht had gehad voor haar die week. Of gewoon niet gevraagd had wat er op dat moment in haar hoofd omging, of niet juist gereageerd had op haar antwoord wanneer hij het wél had gevraagd… Ze vond altijd wel een reden om kwaad te zijn en vroeg te gaan slapen, wist ze van John.
Maar waarover zouden ze nu ruzie gemaakt hebben? Toch niet over haar? Zou ze iets vermoeden, die Elly?

Elly had haar op de parking indringend aangekeken. Zou ze iets vermoeden? Zou ze het weten?

Elly had haar op de parking indringend aangekeken, terwijl de auto’s achter hun voorbij zoefden. Alsof ze bevestiging zocht, of een uitleg. Ach, misschien verbeeldde Liliane het zich alleen maar, omdat zíj degene was die er al de hele tijd mee in haar hoofd zat. Maar toch, het leek alsof Elly zich anders gedroeg. Bovendien had ze gemerkt dat John haar blik had ontweken. Zouden ze dan toch ruzie gemaakt hebben over die avond op de voetbal? Ach, waren ze maar niet zo stom geweest, zij en John. Oké, het was maar één keer, maar toch. En waarom ook eigenlijk? Wat een idee was het ook geweest om samen op reis te gaan…

Na het uitwisselen van de blikken had Elly zich herpakt en was ze begonnen met het uitpakken en uitdelen van haar ‘beroemde’ sandwiches met ei. Ook Liliane had geprobeerd zo gewoon mogelijk te doen. “Maar Elly, hoe doe je dat toch? Ik heb helemaal geen tijd gehad om omeletjes te maken, bij ons zijn het gewoon broodjes met kaas en kop, jongens.” Het moest maar volstaan, vond Liliane. Ze was geen keukenprinses en zou er ook nooit één worden.

De rest van de lunch was zonder al te veel incidenten verlopen. Meer zelfs: de twee pubers in het gezelschap, Kathleen van de Mareelskes en Ramses van de Vereeckens, leken elkaar zowaar te vinden. En dat verbaasde Liliane toch wel. Vooraf had ze Ramses meermaals horen zeggen dat hij echt geen zin had om deze vakantie met “die tuttebel van een Kathleen” op te moeten trekken. Maar nu zonderden de twee zich toch af. Het was een goed teken dat haar oudste zoon een beetje uit zijn schulp kwam. Dat zou hem goed doen.
***
“Hoe is het bij jullie in de auto?”, had Ramses aan Kathleen gevraagd toen ze even wegwandelden van de anderen, ver genoeg zodat niemand hen zou kunnen horen.
“De hel. En bij jullie?”
“De hel ook. Ons vader is al heel de tijd cassetjes met Duitse les aan het afspelen, de loser. Ik word er zot van. Gelukkig slaapt Quinten al de hele tijd, anders kon ik nog ‘Zeeslag’ zitten spelen met hem.”
Kathleen lachte voorzichtig. “O nee. Verschrikkelijk. Pfft, bij ons is het ook erg… Mijn ouders hebben ruzie omdat Kristof heeft gezegd dat papa gekust heeft met jouw mama. En ze denken dat ik het niet kan horen omdat ze de helft van de tijd Frans spreken en ik mijn koptelefoon op heb.”
“Wist jouw mama dat dan nog niet?”, reageerde Ramses zonder op te kijken.
“Nee, oude mensen weten niks, toch? Niks gewoon.” Waarop ze plots een ernstige blik trok. “Zeg, kunnen we één ding afspreken?”
“Wat?”
“Als ik later oud ben en ik word ooit zo’n zaag…”
“Zoals onze ouders, bedoel je?”
“Ja zo. Beloof je dan dat je me een klets in mijn gezicht geeft. Ik meen het echt.”
“Alleen als jij hetzelfde doet bij mij.”
“Deal.”
“Deal.”
De twee tieners gaven elkaar ritueel de hand. Ramses glimlachte naar Kathleen. Ze was dan toch minder een tuttebel dan hij gedacht had.
“Wat ben jij eigenlijk aan het luisteren op je walkman?”
“The Smiths, ken je die? Die zijn geniaal gewoon. Jij?”
“Ik?” Ze bloosde even, haar muzieksmaak was lang niet zo cool. “Madonna, ‘Who’s That Girl’. Maar mag ik anders die Smiths eens horen?”
Stiekem vond Ramses Madonna ook wel goed, maar dat zou hij nooit luidop over zijn lippen krijgen.
“Kathleen! Ramses! Komen jullie?! We gaan vertrekken!”, riepen hun moeders in de verte. De twee gingen elk terug naar hun auto, klaar voor deel twee van de rit. Maar niet zonder dat Ramses nog eens verlegen geknipoogd had naar Kathleen. En zij lachte terug. Dat had hij niet gedroomd: ze lachte terug.
***
Regarde-moi dans les yeux, John. Dans les yeux! Est-ce que c’est passé ou pas? Is ’t waar of niet?”, vroeg Elly met veel zin voor dramatiek.
Ook in de auto van de Mareelskes stond het vrolijke ‘Papa Chico’ op, maar niemand luisterde, daarvoor liep de spanning te hoog op.
“Maar nee, schatje, ik heb het toch al gezegd”, sputterde John tegen.
En français, John! In het Frans. Je ne veux pas que les enfants nous entendent.”
Non, Elly, ce n’est pas passé comme ça. Geloof mij nu toch!”
En français, John!”
Eerst had ze zich nog proberen te herpakken, na die eerste schok om wat Kristof had gezegd. Want ja, kleine kinderen zien en zeggen soms de raarste dingen, dat wist Elly ook wel. En zeker kleine Kristof. Vorig jaar nog, toen ze met vakantie waren in La Pineda de Salou in Spanje. Ze zaten op het strand. Kathleen en Kristof zaten frietjes te eten. Zij met ketchup, hij zonder saus. Opeens kwam er een wesp op de frietjes van Kathleen zitten. Elly had het beestje koelbloedig weggejaagd en Kathleen was gewoon beginnen eten. Uit het niets en vooral veel te luid begon Kristof te roepen: “Nee, Kathleen, niet opeten! Daa’ k’ijg je aids van!” Elly had een knalrood hoofd gekregen. Ze had geen idee vanwaar hij dat woord kende of waarom hij zou denken dat het verspreid zou worden door wespen. Het koppel naast hen op het strand, ook Vlamingen, had verschrikt opgekeken en de oren van hun kinderen bedekt. Elly had het proberen weg te lachen. “Maar Kristof, wat zeg jij nu?! Dat is helemaal niet zo. Vanwaar ken jij dat? Weet jij wel wat dat betekent?”
“Gewoon dat je heel ziek wo’dt, toch mama?”
“Nee, dat is nog iets helemaal anders. En ik wil dat woord niet meer horen, afgesproken? Eet je frietjes nu maar op voor ze koud worden.”

Dat andere gezin had zich de dag nadien niet meer naast hen gezet op het strand. Alsof het iets was waarvoor zij zich moesten schamen. Tja. Elly en John hadden er met hun tweetjes achteraf nog hartelijk om moeten lachen, die Kristof toch met z’n eindeloze fantasie. En dus wist Elly dat het ook nu kon dat hij niet helemaal wist waarover hij het had, dat hij iets helemaal anders gezien had. En ze wilde het eigenlijk ook maar al te graag geloven, dat zou zoveel makkelijker zijn.

Maar dan was het dus tijd geweest voor hun afgesproken picknick aan de Raststätte in Ulm. Net voor ze waren uitgestapt, had Elly John nog toegesnauwd dat ze het er later nog wel over zouden hebben, als ze terug in de auto zouden zitten. “Níét in het bijzijn van de Vereeckens.” Ze had het portier dichtgeklapt en haar picknickmand uit de koffer gehaald. Beheerst, zoals altijd. Rogier en de kinderen hadden honger en dorst en waren blij dat ze de benen even konden strekken na een rit van zes uur, die hadden er niks van gemerkt dacht Elly. Maar Liliane, dat was iets anders. Zij was haar vriendin, ze kende haar te goed. Liliane had meteen gezien dat Elly kookte vanbinnen, dat ze ruzie had gemaakt met John. Of ze ook wist waarom ze zo boos was, dat kon Elly moeilijker inschatten.

“Alles oké, Elly?”, had Liliane gevraagd. Bezorgd, zo klonk het. En toen zag Elly de blinde paniek in Lilianes ogen. Haar neusvleugeltjes begonnen te trillen en verraadden dat ze zenuwachtig was. En ze had een rode vlek in haar nek, wat ze altijd kreeg als ze zich ongemakkelijk voelde. Het was dus toch waar. “Ja hoor, Liliane, wat zou er kunnen zijn?”, antwoordde ze zo luchtig mogelijk, maar met een valse ondertoon. Liliane had ongemakkelijk haar blik afgewend en de rest van de picknick niks meer gezegd, behalve dat Elly’s sandwiches met ei er geweldig uitzagen.
***
In de wagen had Elly nadien eerst gezwegen. Wel honderden scenario’s had ze in haar hoofd afgespeeld. Ze had zichzelf liggen opvreten, en het lege kartonnetje van de speculaasjes naast haar loog er ook niet om. Tot ze kon zich dus niet meer inhouden.
Regarde-moi dans les yeux, John! In mijn ogen! Ik weet dat het waar is!”
“Elly, zeg. Arrête, sois calme!”, riep John iets te luid. De wanhoop nabij.
“Pa-pa-aaaa…”
“Ja, Kathleen.”
“Stop toch eens met liegen, zeg. En dat Frans spreken werkt misschien voor Kristof, maar ik ga naar het derde middelbaar, ik kan jullie gewoon verstaan. En iedereen weet dat jij met Liliane gekust hebt op de voetbal, en wie weet wat nog meer… Heel de straat, iedereen op de voetbal… Behalve mama en Rogier. Dus stop nu gewoon met liegen, ik word er misselijk van. Djeezes.”

Ja, John en Liliane hadden gekust. Eén keer. Op een feestje van de voetbal. Maar het betekende niks.

Elly voelde haar maag keren, voor de tweede keer die dag. Alsof de wanhoop die nu al de hele rit door haar hoofd spookte, er ineens uit moest. Ze wilde schelden, tieren, roepen, schreeuwen, huilen… Maar er kwam niks.
“Laat me eruit”, zei Elly ijzig kalm.
“Nee, schat, laat ons hierover praten”, probeerde John te sussen. “Ja, oké, wij hebben per ongeluk een keer gekust op een feestje op de voetbal. Maar dat betekende helemaal niks. En sindsdien is er ook niets meer gebeurd, dat zweer ik. Geloof me nu toch. Ik zie u graag, hè. Dat weet je toch?”
“Niets méér gebeurd? En ik moet dat geloven? En wij gaan daar nog mee op reis ook…” Elly was woedend. John met Liliane, de buurvrouw die in de loop der jaren een goeie vriendin was geworden. Hoe kónden ze? Ze voelde zich diep vernederd en verraden. John stak zijn hand uit naar haar schouder, maar die weerde ze prompt af. “Nee, John. Laat me eruit. Nu.”

John, die voelde dat Elly niet meer voor rede vatbaar was, besloot te veranderen van tactiek. “Jij kunt wel boos zijn, maar dit is niks anders dan wat jij indertijd hebt uitgestoken met die Eddy! Want je moet hier nu niet doen alsof jíj een heilige bent, hè. Of dacht je dat ik dat niet wist, misschien?”
Elly schrok. “Moet je Eddy daar nu bij betrekken? Dat is jaren geleden. Jaren! En dat was helemaal anders. Toen waren de kinderen er nog niet eens. En ik heb toen wel voor jou gekozen, of was je dat vergeten?!”
“En ik kies toch ook voor jou nu? Zoveel verschil zie ik niet. Iedereen maakt fouten. Jij toen, nu ik. Dus laat het nu gewoon… Ik maak het goed, beloofd.”
“Laat mij eruit, John!”
John reageerde niet meer. Hij was betrapt, verslagen, murw. De stilte in de lichtblauwe Mazda 626 was te snijden. Ook Tony Esposito was opgehouden met vrolijk over Papa Chico te zingen. Net op dat moment begon de groene Audi 80 van de Vereeckens voor hen te pinken naar rechts. “Gaan die ook stoppen? Hebben die ook ruzie?”, vroeg Elly zich luidop af.
“Nee, ik denk dat we er zijn”, antwoordde John kort, opgelucht bijna. “Dit is onze afrit.”
***
Beide auto’s gingen van de autosnelweg. Ze lieten het grauwe wegdek en de betonwereld achter zich en reden tussen prachtige groene weiden met zwart-witte koeien, omgeven door indrukwekkende, eeuwig besneeuwde alpentoppen. Elly zag vanuit haar raampje een smal kolkend riviertje dat het glooiende landschap doorkruiste. Een klein, wit kerkje te midden van charmante huisjes en hotels met houten daken… Ze draaide haar raampje even open. Ze had behoefte aan lucht, andere lucht. Hiervoor was ze naar hier gekomen, de Alpen zoals ze ze al die tijd gedroomd had. Het maakte haar blij en droevig tegelijk.
De kleine Kristof, die het grootste deel van de rit geslapen had, werd ook wakker en keek zijn ogen uit. “Zo mooi! En zo hoog! Kathleen, kijk naa’ die be’gen! En een koe!”
“Ja, hè makker. Nogal iets, hè. En daar gaan wij dus bovenop wandelen, tot aan die sneeuw”, zei John snel, allang blij dat hij over iets anders kon praten.
Elly veegde haar tranen gauw weg en lachte naar Kristof. Want ook midden in deze helse ruzie was ze bovenal mama. Haar kleine jongen kon er toch niks aan doen dat zijn papa het zo verknald had? “We praten er nog over, John. Als we alleen zijn”, liet ze dan toch een opening.

In de verte kon ze het vakantiehuisje, dat ze enkel kende vanop foto, al zien opdoemen. “Ik denk dat dat het is, mannen.” Het bracht een zekere rust. Ze sloot haar ogen even en ademde in en uit. Ze had het zo nodig: rust. En stilte.
“Zeg, ma-ma-aaa.” Deze keer was het Kathleen op de achterbank. “Wie is die Eddy eigenlijk?”
“Niet nu, Kathleen, niet nu.”

Volgende week deel 3: de eerste dag in het vakantiehuis

Tekst: Wim Hellemans & Annelies Dyck – Illustratie: Mireille Kouwenberg

Herlees hier deel 1:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)