Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten
Getty Images

Anne Davis schrijft een brief aan haar te vroeg overleden moeder

4 weken lang schrijft Anne Davis een brief naar een belangrijke persoon. Deze keer: haar mama, met wie ze een moeilijke relatie had.

Lieve mama,

Als ik dit schrijf, voelt het vreemd. Want eigenlijk was je voor mij geen lieve mama. Als ik aan je denk, zie ik een mooie vrouw, die diep teleurgesteld was. In het leven, en in mij. Je was het jongste meisje thuis, genoemd naar een kindje voor je, dat overleden was. Misschien dat ze daarom extra zuinig op je waren, op dat mooie jonge zusje, dat niet hoefde te gaan werken en dat thuis moeder bleef helpen tot de geschikte man kwam opdagen.

Je werd verliefd, op een jongen van goeden huize, zoals ze toen zeiden. Maar jij was niet goed genoeg voor zijn rijke familie, en de verloving ging niet door. Dus toen mijn vader aarzelend liet merken wat hij in je zag, nam je hem. Al was hij op zijn beurt maar nauwelijks goed genoeg voor jouw familie, die zulke hoge verwachtingen van je had. Een hoteleigenaar, al was het dan een groot hotel, kon voor hen maar net.

Je kreeg de verplichte twee kinderen, een jongen, en daarna een meisje. Een koningswens, zeiden ze. Maar mijn broer was een dikkig jongetje dat moeilijk vriendjes maakte, en het meisje – ik dus – leek op haar vader en had niets van de mooie donkerharige nichtjes die je zussen en je broer kregen.

“Hield je van me? Ik hoop het. Ik weet nog dat ik op je schoot wilde klimmen, en jij zei dat ik daar te groot voor was”

Je werkte mee in het hotel, en stond om zes uur op om bij het ontbijtbuffet te helpen. En mijn vader, die ’s avonds nog ijverig talen bijstudeerde, die nooit ging slapen voor de laatste gast naar bed was en de drankflessen in de bar weer bijgevuld waren, had een andere klok. Zo konden jullie samenleven zonder dat je elkaar te veel tegenkwam, vermoed ik. Tot verdriet van mijn vader, die zijn mooie vrouw aanbad.

Ik herinner me dat je altijd hoofdpijn had, en niet veel verdragen kon van mij. Hield je van me? Ik hoop het. Ik weet nog dat ik op je schoot wilde klimmen, en jij zei dat ik daar te groot voor was. Dat je mijn haar vlocht en zo hard trok dat ik moeite had om niet te schreeuwen. Je wilde zo graag een mooi dochtertje, maar je had mij.

Je kocht dure jurkjes voor me, maar als ik ze aantrok, stonden ze niet, dus gingen ze naar mijn mooiere nichtjes. Ik voelde dan intens dat ik je weer teleurstelde. Want je hield zo van mooie dingen. Elke avond deed je al je losse geld in een potje, en als je genoeg had, kocht je een bontjas, of een ring met een diamant. Je haalde een lapje op de markt en ging naar een plaatselijke modeontwerper, die er iets prachtigs van maakte. Ik had de mooiste moeder die er was, dat wist ik zeker.

Maar je was streng. Je kon met gitzwarte ogen kijken die me bang maakten, en je vertelde me dat je een Spaans rietje naast je bed had staan om me te straffen als ik ’s nachts uit mijn kamer durfde te komen. Of dat echt zo was, weet ik niet, ik weet niet eens hoe een Spaans rietje eruitziet. Ik stelde me een zweep voor, en ik ben nooit meer mijn bed uitgekomen, maar lag ’s nachts rillend te schuilen voor heksen en monsters en spoken.

Op zondag leefde je op. Dan kwamen je zussen en werd er uren geborreld, en later aten we met ons allen in het restaurant. Mijn vader genoot zo van die gezelligheid, en van zijn vrouw die dan weer levendig was. Maar steeds vaker had je hoofdpijn, of werd je ziek. Ik herinner me hoe we op wintersport gingen, en we genoten, maar jij zat kleumig bij de kachel in het pension, want je hield niet van sneeuw. Er was een reisje naar Duitsland, waarop je vreselijke buikpijn kreeg en in een piepklein stadje in het ziekenhuis belandde. Op de mannenafdeling, want bij de vrouwen was geen plaats. Mijn vader was radeloos.

Nu, na al die jaren, besef ik pas hoe ziek je was. Je begon je vreemder te gedragen. Je telde de stappen als je de kamer doorkruiste, je wilde soms ineens dansen, en als je aan tafel zat, stopte je een hap in je mond en wist niet hoe je kauwen moest. Je sneed al je vingertoppen af aan een gebroken glasplaat en vroeg kalm om een pleister. Nooit heb je het gevoel in die vingertoppen teruggekregen. Je ging in bad en liet het water weglopen, en als ik je wilde helpen, vroeg je: ‘Waarom plaag je me zo?’

Uiteindelijk werd er besloten dat je opgenomen zou worden. Toen werd er voor het eerst een scan van je hersenen gemaakt. Je bleek een enorme hersentumor te hebben, en twee dagen later werd je geopereerd. Even leek je beter te worden. Je ging naar je favoriete kapper, die je haar kunstig over de kale plek met het litteken drapeerde. Want je wilde nog altijd mooi zijn…

“Nu weet ik dat je ziek was, misschien wel mijn hele leven lang. Ik verwijt je niets, maar wat had ik het graag anders gewild”

Een paar maanden later, toen ik in Brussel studeerde, kreeg ik een telegram dat je overleden was. Ik was achttien, of misschien net negentien, en voelde vooral leegte. Lang heb ik niet willen geloven dat er meer bestaat dan hier, dat er een plek is waar we mensen van vroeger weer tegenkomen. Ik was bang dat ik je zou terugzien, en dat ik je dan weer zou teleurstellen.

Nu weet ik dat je ziek was, misschien wel mijn hele leven lang. Nu voel ik alleen nog maar diep medelijden. Om dat mooie meisje, het lievelingetje van het gezin, dat het niet in zich had om gelukkig te worden. Ik verwijt je niets, want er valt niets te verwijten. Maar o, wat had ik het graag anders gewild.

Volgende week zet Anne zich aan haar schrijftafel en richt ze zich tot vriendin M.

Uit: Libelle 48/2021

MEER VAN ANNE DAVIS:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!