De inhoud op deze pagina wordt momenteel geblokkeerd om jouw cookie-keuzes te respecteren. Klik hier om jouw cookie-voorkeuren aan te passen en de inhoud te bekijken.
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."

Hannelore

Uit het hart van Hannelore: “Het is maar een ziekenwagen, herhaal ik bij mezelf. Maar even sta ik weer op straat, net als toen”

Begin 2019 verloor Hannelore plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Opnieuw een ambulance in de straat

Stijn en ik hadden handen aan ons lijf. We waren geen luie mensen en hadden genoeg verstand om de dingen slim aan te pakken, dus kochten we een bouwval in de stadsrand. We hadden enkel en alleen oog voor de heerlijke tuin, waar we – ik geef het toe – compleet verblind door waren. Pas daarna keken we naar het half ingestorte huis. Maar bij iets wat terug moet worden opgebouwd, heb je alle vrijheid om er iets ‘van jezelf’ van te maken. Dus kozen we resoluut voor open ruimtes, veel ramen, veel lichtinval. Met de hulp van een architect probeerden we bovenop het gelijkvloers vier verdiepingen in het huis aan te brengen waar er oorspronkelijk maar drie waren. We braken de volledige binnenkant van het huis uit, om nieuwe verdiepingen te steken, met als gevolg dat de ramen die we in de oorspronkelijke gevel hadden laten zitten, plots over twee verdiepingen doorliepen. Daardoor komt er nu zowel in de leeshoek als in de kamer erboven een berg licht binnen via dezelfde glaspartij, aan de straatkant, maar zonder extra inkijk. ’s Avonds valt het licht van de straatlantaarns de leesruimte binnen en af en toe licht het huis op door een voorbijrijdende wagen. Omdat de leesruimte zich op de eerste verdieping bevindt, laat ik de rolgordijnen meestal voor wat ze zijn. Op de één of andere manier is het fijn om straatleven te horen en te zien.

Zoals zo vaak zit ik ’s avonds te schrijven op de bank in de leesruimte. Het is al na middernacht wanneer ik eindelijk mijn computer dichtklap en van de bank opsta om te gaan slapen, als ineens de hele ruimte blauw oplicht. Ik verstijf, laat nog net mijn laptop niet uit mijn handen vallen. Het lijkt alsof iemand met dat blauwe licht een emmer ijskoud water over mij uitgegoten heeft. Shit, denk ik, ziekenwagens… Mijn hart schiet in mijn keel en ik voel hoe ik panikeer. Omdat ik min of meer geleerd heb mezelf te kalmeren op dat soort momenten, verman ik me en dwing mezelf naar beneden te lopen, naar de voordeur. Even denk ik nog: niet doen, hang niet de ramptoerist uit, maar ik besef tegelijkertijd dat ik enkel en alleen maar wil verifiëren dat de ambulance niet voor ónze deur staat. Natuurlijk weet ik dat de ambulance voor een andere deur staat en toch zwaai ik gehaast de voordeur open. Enkele huizen verder staat een ambulance geparkeerd. Niet voor onze deur. En toch: het beeld voelt als een klap in mijn gezicht. Dezelfde nachtelijke kou, dezelfde lichten, dezelfde angst overvalt me. Ik moet tranen tegenhouden, herhaal bij mezelf: “Het is maar een ziekenwagen.” Maar even voelt het alsof ik weer op straat sta zoals toen.

“Dezelfde nachtelijke kou, dezelfde lichten, dezelfde angst. Alleen staat de ambulance nu voor een andere deur”

Ik besef nu pas dat ik in een bundel licht sta die vanuit mijn hal de stoep op stroomt. Ik voel me betrapt, wil snel de deur weer sluiten, voel me een ramptoerist. Dan hoor ik “Hey!” vanaf de overkant. Eén van de ambulanciers heeft me zien staan, hij zwaait naar me. Ik herken hem als één van de ambulanciers die erbij was de nacht dat Stijn stierf. Hij was er ook bij op een later tijdstip, toen Polly een ambulance nodig had en ook nóg wat later, toen Hoppe hier in huis tegen de vlakte ging. Zonder aarzelen steekt de man de straat over. Ik kan zien dat hij glimlacht, zelfs al heeft hij een mondmasker op. Hij vraagt hoe het met mij gaat, ik stamel een wat onhandig antwoord, vraag of alles oké is wat verderop. Hij stelt me gerust, zegt dat het een gewone interventie was, dat ik me geen zorgen hoef te maken.

Daarna loopt hij achterwaarts terug richting ziekenwagen, en zegt ondertussen: “Ik ben al heel blij dat we niet bij jou moesten aanbellen.” Hij glimlacht, stapt in, trekt de deur van de ziekenwagen dicht, zwaait en rijdt weg. Het moment is even snel voorbij als het is gekomen. De straat is weer leeg, geen ziekenwagen meer, geen blauwe lichten. Alsof er niks is gebeurd. Zo was het toen niet, die ene nacht. Toen moest alles nog beginnen. Die enorm lange weg waar geen einde aan lijkt te komen. Binnen leg ik mijn voorhoofd even tegen het koude voordeurglas, haal diep adem en denk ik: “Ik ook.”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content