Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Hannelore

Uit het hart van Hannelore: “Afspreken met een wildvreemde, dat doe ik zelden. Maar zijn bericht had me geraakt”

Begin 2019 verloor Hannelore plots haar grote liefde Stijn aan hartfalen. In haar columns vertelt ze elke week over haar leven als jonge weduwe met twee kinderen.

Een nieuwe manier van gelukkig zijn

Op een doordeweekse avond begin juni verscheen er een lang bericht in mijn mailbox. Tegenwoordig neem ik me voor de berichten die me worden toegestuurd alleen nog te lezen. Met interesse en dankbaarheid, dat sowieso, maar slechts zelden vind ik nog de tijd of courage om erop te antwoorden.

Het bericht van de man raakte me echter harder dan verwacht. Hij beschreef zijn gezinssituatie, die veel weg had van de mijne. Twee jonge kinderen, een vrouw, hijzelf slechts een jaartje ouder dan ik. Alleen: hij was terminaal ziek. De kanker die hij enkele jaren geleden nog overwonnen had, was nu keihard en zonder pardon teruggekeerd en woekerde in heel zijn lichaam.

Hij schreef dat hij mijn columns al geruime tijd volgde, grapte dat hij – net zoals alle mannen – nooit zélf Libelle kocht, maar wel die van zijn vrouw las. Hij schreef dat hij mijn boek had gelezen, dat hij mijn levensparcours sinds het overlijden van Stijn had gevolgd. En hij sloot af met de vraag of ik open zou staan voor een gesprek met iemand die ik van haar noch pluimen kende.

Afspreken met een onbekende doe ik inderdaad zelden, maar zijn bericht had me geraakt, dus spraken we af aan een picknickbank in het park. Ik vroeg hoe ik hem zou herkennen, hij schreef met een knipoog dat ik de enige uitgemergelde man in het park niet over het hoofd zou kunnen zien.

“Hij zegt: ‘Ik denk dat ik vooral wil weten of je gelukkig bent’ “

Wanneer ik in het park aankom, zie ik hem inderdaad meteen zitten. Hoewel de zon schijnt en om hem heen mensen in zomerkleren rondlopen, is hij de enige in het park met een dikke trui aan. Hij zegt dat hij het de laatste tijd constant koud heeft, dat dat deel uitmaakt van zijn aftakeling, zoals hij het zelf benoemt.

Hoewel we elkaar niet kennen, loopt het gesprek als vanzelf. Na enkele minuten praten we al uitgebreid over zijn gezin, zijn ziekte, zijn kinderen. De liefde voor zijn vrouw klinkt in elke zin door, de kwaadheid om wat er zit aan te komen, weet hij opmerkelijk goed weg te steken. Dan valt hij ineens stil, kijkt naar zijn handen. Ik zie hoe hij twijfelt, maar dan zegt hij: “Ik denk dat ik vooral wil weten of je gelukkig bent.” Zijn woorden klinken stil, voorzichtig, alsof hij mij een heel moeilijke vraag heeft gesteld waarop hij – als wildvreemde – helemaal geen antwoord mag verwachten.

Zijn vraag overvalt me inderdaad. Ik kwam naar onze afspraak in de veronderstelling dat hij wat praktische vragen wilde stellen, dat hij wilde weten wat hij best nog allemaal kon regelen zodat zijn vrouw daar geen tijd aan zou moeten verspillen na zijn dood. Maar hij wil weten of zijn vrouw nog gelukkig zal kunnen worden, later. Het duurt even voor ik antwoord durf te geven, alsof ook ik het antwoord niet weet. Dan zeg ik: “Ik denk het wel.”

“Ik zeg dat het ooit wel goedkomt. Misschien volgende week nog niet. Maar ooit”

Hij glimlacht, vraagt waarom dat twijfelend klinkt. Ik denk na, zeg dan dat ik gelukkig ben, gewoon niet altijd. Dat ik niet weet of ik ooit nog helemaal, 100%, gelukkig zal kunnen zijn. Omdat ‘gelukkig zijn’ voor mij nog steeds samenhangt met Stijn. En nu die er niet meer is, moet ik zoeken naar een nieuwe manier van gelukkig zijn. Alleen en met de kinderen. Maar dat ik daar wel naar streef.

Hij zwijgt, laat mij praten. Ik zeg dat ik er geen doekjes om kan winden, dat het de afgelopen jaren vaak een strijd is geweest, dat ik nog steeds dagen heb waarop ik tegen de grond hang, maar dat er evenveel dagen tegenoverstaan waarin ik gelukkig durf te zijn. En dat het ooit wel goedkomt. Misschien volgende week nog niet. Maar ooit.

“Dat wilde ik horen”, zegt hij. “Een eerlijk antwoord. Meer niet.” Als we afscheid nemen, zegt hij dat hij altijd “Tot de volgende keer” zegt tegen mensen. Dat die daar ongemakkelijk van worden, omdat ze weten dat er waarschijnlijk geen volgende keer meer zal zijn. Dat hij dat leuk vindt, mensen af en toe wat ongemakkelijk maken. Er moet toch nog iets te lachen vallen, zegt hij.

Dit weekend stuurde hij mij opnieuw een bericht. Om nogmaals afscheid te nemen. Definitief deze keer. Hij sloot af met: “Dankjewel voor de eerlijkheid. Ik vertrek met een gerust hart. Tot de volgende keer!”

LEES MEER VAN HANNELORE BEDERT:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!