Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Koen

Comme chez Koen: “Met wat pech houdt Aimé bij het volgende dorpsfeest met zijn hooivork de wacht en zijn de weinige Engelsen niet meer welkom”

Libelle-columnist Koen Strobbe (56) is auteur en woont met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten in het zuiden van Frankrijk. In zijn wekelijkse column vertelt hij over zijn leven in ‘la douce France’.

Begin februari is het bij ons ook nog volop winter, maar terwijl iedereen in België op sneeuwklokjes en krokussen wacht, staan hier de amandelbomen en de mimosa al in bloei. Vooral die gele fluffy bolletjes van de mimosa geven je een instant lentegevoel.

Omdat wij in onze tuin geen mimosastruiken hebben, staat verre buur Aimé met een bos bloeiende takken voor onze deur, lichtjes ontgoocheld dat Ilse niet thuis is. Ik leid de kranige tachtiger naar het terras en vraag of hij een drankje lust. “Een aperitiefje kan er altijd in, doe mij maar een pastis.”

Even later zitten we gezellig in de late ochtendzon en haalt hij zijn neus op voor de laptops van Ilse, Kwinten en mij die hij door het raam in onze woonkamer ziet staan. “Tjonge, die moderniteit van tegenwoordig: iedereen zit alleen nog maar op dat internet in plaats van buiten te komen.”

Ik lach en zeg dat we die computers vooral nodig hebben om te werken, maar daar wil hij niks van weten. Voor hem zijn computers een uitvinding van de duivel en zijn zij er de oorzaak van dat mensen niet meer met elkaar praten.

Sinds kort weet ik dat hij en zijn vrouw Marceline, die hier in het dorp geen familie meer hebben, wel nog over een kleinnicht in het verre Nice beschikken. “Met zo’n computer of met een smartphone zouden jullie wel af en toe jullie Britney kunnen zien,” merk ik langs mijn neus op.

“Aimé gromt: ‘Wat bezielt iemand om een kind zo’n afgrijselijke Engelse naam te geven, alsof Louise of Marie plotseling niet goed genoeg meer zijn?'”

“Ach, Britney,” zucht hij peinzend, en in zijn zorgelijke gezicht zie ik de pijn van een grootoom die zijn kleinnichtje mist. Maar dan gromt hij: “Wat bezielt iemand om een kind zo’n afgrijselijke Engelse naam te geven, alsof Louise of Marie plotseling niet goed genoeg meer zijn?”

Het doet me denken aan iets wat Kwinten me een tijd geleden vertelde. In zijn klas, waar het wemelt van de Shirleys, Kevins en Mary-Lou’s, was er tijdens de les een meisje rechtgesprongen om de lerares en haar klasgenoten te laten weten dat zij voortaan niet meer als ‘Jennifer’ aangesproken wilde worden, maar als Marianne. Toen de lerares erop inpikte en vroeg wat er aan de hand was, zei ze vastberaden dat haar ouders haar die Engelse naam gegeven hadden, maar dat zij er nu voor koos om een échte Franse naam te dragen. Marianne was de naam van haar grootmoeder. Het moest maar eens gedaan zijn met al die vreemde invloeden in Frankrijk.

“Euh, is dat misschien zo’n kind dat met extreemrechts ideeëngoed in haar hoofd rondloopt?”, vroeg ik voorzichtig. Maar Kwinten schudde zijn hoofd. “Absoluut niet, haar twee beste vriendinnen zijn van allochtone afkomst. Ze wilde gewoon af van die Engelse naam.” En met een glimlachje voegde hij eraan toe: “Ik denk dat het met de brexit te maken heeft.”

Ik heb het afgelopen jaar al wel meer kritiek op de Engelsen gehoord. En van een Engelsman die in het dorp woont, hoorde ik dat hij van onze dorpsgenoten steeds vaker kritische opmerkingen over zijn vaderland over zich heen krijgt. “Maar ik begrijp dat,” zei de Engelsman, “onze politici maken het de rest van Europa echt niet gemakkelijk.”

Zou Aimé een van die mensen zijn die het vanaf nu op Engeland gemunt hebben?

“Wat heb jij tegen Engelse namen?”, vraag ik hem op de man af.

“Ha!,” roept hij met zijn glas pastis in de hand, “eerst jarenlang van Europa subsidies binnenrijven en er dan vantussen muizen. Profiteurs zijn het.” Aimé is niet meer te stoppen. “Altijd al geweest, trouwens. Dat waren ze al toen ze deden alsof zij het waren die voor ons de oorlog gewonnen hebben.”

“Heb jij het nu over vijfenzeventig jaar geleden?”, lach ik, en ben eigenlijk al blij dat hij er Napoleon en de Slag van Waterloo niet bijhaalt. “Is dat niet wat overdreven?”

Maar Aimé grijpt naar de fles, giet zichzelf nog eens bij en brengt zijn wijsvinger voor mijn gezicht. “Het is altijd wat met die Engelsen! Altijd al zo geweest!”

Ik hou mijn hart vast voor het volgende dorpsfeest, dat er hopelijk ooit nog eens aankomt als dat coronavirus eindelijk verdwenen is. Maar met wat pech houdt Aimé er met zijn hooivork de wacht en zijn de paar Engelse dorpsgenoten niet eens meer welkom.

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!