Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Koen

Comme chez Koen: “Groot was mijn verbazing toen Marceline deze keer zélf mee wou gaan naar de supermarkt”

Libelle-columnist Koen Strobbe (56) is auteur en woont met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten in het zuiden van Frankrijk. In zijn wekelijkse column vertelt hij over zijn leven in ‘la douce France’.

In december wordt het ook hier kouder, zeker als de mistralwind blaast. De daken van de oude dorpshuisjes beneden aan de heuvel liggen er nu bij als uitgerangeerde stoomlocomotieven en puffen de hele dag de rook van houtkachels door de schoorsteen.

In een van die huisjes wonen Aimé en Marceline, onze twee gevorderde tachtigers voor wie het woord ‘kranig’ werd uitgevonden. Meestal zitten zij op hun houten bankje in de schaduw voor hun huisje en spreken elke voorbijganger aan; vooral Marceline wil álles weten van iedereen die in het dorp woont. Maar ook voor hen is het winter. Aimés moestuin is omgespit en ligt te wachten op een nieuwe lente. Nu zijn hij en Marceline dus voor een groot stuk afhankelijk van de buren om aan eten te geraken, want een auto hebben zij niet.

Het liefst van al geeft Marceline haar boodschappenlijstje aan iemand die naar de markt in Uzès rijdt, want daar is alles vers en niet duur. Voor wasmiddelen, drank en blikjes word ik ingeschakeld, omdat ik weleens tot bij de Lidl op twintig minuten hiervandaan durf te gaan en Marceline een spaarzame oude dame is. Wij helpen hen graag en misschien is het wel een beetje onze compensatie omdat wij van zo ver minder voor onze eigen ouders kunnen doen dan wij eigenlijk zouden willen.

Vandaag ga ik dus boodschappen doen en klop op hun deur. Groot is mijn verrassing als Marceline mij niet zoals anders haar boodschappenlijstje in de hand drukt, maar in een dikke geruite jas en laarsjes met een pelsrandje zélf klaarstaat om mee te gaan naar de supermarkt. Haar uitleg is kort: de postbode heeft deze week een folder in de bus gedropt met daarin een broodbakmachine waarop ze haar zinnen heeft gezet. Achter haar rug schudt Aimé met zijn hoofd.

“Mijn handen zijn niet meer sterk genoeg om zelf deeg te kneden”, klaagt Marceline naast mij in de auto. “Maar jullie kopen toch altijd brood van Julian?” vraag ik. Julian rijdt om de twee dagen toeterend door het dorp om zijn stokbroden aan de man te brengen die hij ergens bij een grootbakkerij in Nîmes gaat halen.

Julian is weer vijf centiem opgeslagen” moppert Marceline en geeft me een voordracht over hoe duur het leven is. “En voor de feestdagen wil ik ook wel eens iets anders dan dat eeuwige stokbrood.” Vanuit mijn ooghoek merk ik op dat haar tweedjas vol kattenhaar hangt. Voor ik het goed en wel besef, val ik ten prooi aan een gigantische niesbui. “Ik zeg het toch: je moet jezelf warmer kleden in de winter, jongeman.” Marceline schudt meewarig haar hoofd en gromt: “Ah, les touristes.”

In de supermarkt klampt zij meteen een bediende aan die haar naar de voorraad broodmachines uit de folder moet begeleiden. Gelukkig staan er nog wat dozen. Ik word gesommeerd om er voor haar een in de kar te leggen. Dan haalt Marceline haar brilletje uit haar handtas en begint zorgvuldig de tekst op de doos te lezen.

“Dat lijkt ingewikkeld” zegt zij kritisch.“Je weet toch dat er bij zo’n broodmachine na het bakken twee gaten onder in je brood zitten?” zeg ik. “Wat?” vraagt Marceline met een van afschuw vertrokken gezicht, en ik leg uit hoe zo’n machine werkt. Wanneer ik er zeker van ben dat niemand van het personeel ons in de gaten houdt, open ik een doos en toon haar de kneedhaken.

Terwijl Marceline nadenkt, wijkt haar blik plots af naar het broodrek vlak achter ons. “Zie ik dat juist?” vraagt ze extatisch, “een stokbrood kost hier verdorie maar half zoveel als bij Julian.” “Ik weet niet of jullie dat brood wel gaan lusten” zeg ik voorzichtig. “Proberen”, zegt zij kordaat en omklemt met beide armen zowat de hele voorraad aan pas afgebakken stokbroden. “Ze zijn nog warm”, glundert zij, en nog voor ik iets kan zeggen, voegt zij daaraan toe: “Wij hebben een grote diepvriezer.”

Ik haal de broodbakmachine terug uit de kar en zet de doos op de stapel. Bij haar thuiskomst staat Aimé ons achter een raampje op te wachten. Hij opent de deur, geeft zijn vrouw vertederend een kus, kijkt verbaasd naar de stapel broden die ik naar binnen draag en zucht dan opgelucht: “Looft de Heer.”

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content