Comme chez Koen: “Een Franse talkshow volgen? Dat is naar onze Vlaamse normen van televisiekijken haast onmogelijk”

Libelle-columnist Koen Strobbe (56) is auteur en woont met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten in het zuiden van Frankrijk. In zijn wekelijkse column vertelt hij over zijn leven in ‘la douce France’.

Een groot verschil met Vlaanderen is het gevoel voor drama dat de Fransen eigen is. Dat zie je in grote dingen als dagbladtitels, maar vooral ook in de kleine. Zo ging ik vanochtend naar de bakker om brood en viel het me op dat er in Uzès geen enkele bakker of slager een gewone naam heeft.

Wij zijn nuchtere namen als ‘Bakkerij Jos’ en ‘Slagerij Theo & Els’ gewend. Niet zo in la douce France. De bakkerij waar ik mijn baguetjes haalde, heet – ik bespaar u het Frans en vertaal maar meteen – ‘Oh, Smaak mijner Kindheid’. Ja hoor. Een concurrerende bakker verkoopt zijn waar in ‘Theater van het Brood’ en nog een andere heeft zijn zaak ‘De lekkere Baguette van Eertijds’ genoemd. Je moet er maar opkomen.

Het grappige is verder dat al die blasé namen niet eens garant staan voor beter brood of lekkerdere taarten: in Vlaanderen is er veruit meer keuze én zijn brood en taart een pak goedkoper.

Het feit dat de middenstand in Uzès meer energie steekt in het vinden van een originele naam dan in zijn producten, heeft natuurlijk alles te maken met het Frans, een taal die bol staat van de beelden en krullen. Zo’n taal leidt vanzelf tot het gevoel voor drama uit de eerste zin van dit stukje, want anders dan bij ons strooit hier zelfs ‘het eenvoudigste boertje’ kwistig met mooie woorden en plastische beschrijvingen: telkens ik met iemand uit het dorp een gesprek voer, ben ik opnieuw verbaasd.

“Zelfs het eenvoudigste boertje strooit hier kwistig met mooie woorden en plastische beschrijvingen”

Nu ben ik misschien wat lacherig begonnen met mijn observaties over de Franse taal, maar de gemiddelde Fransman lijkt me toch een flink stuk belezener dan wij, en literatuur is gewoon ook veel meer aanwezig onder de mensen. Om een voorbeeld te geven: Uzès is een stadje van om en bij de achtduizend inwoners, maar in de plaatselijke supermarkt zijn er wel vier of vijf rekken vol met boeken, en die boeken nemen evenveel plaats in als een gemiddelde boekhandel bij ons. Als Vlaming, die hooguit gewend is aan de top tien bestsellers in het rekje van zijn supermarkt, kijk je je ogen uit.

En zoals bij alles, doet kijken ook kopen. Soms gun ik mezelf de tijd om tien minuten op mijn winkelkar te leunen en verbaasd te kijken hoe oude dametjes de biografieën van Franse politici of ‘vedetten’ kopen, of hoe een man in schildersoverall een literaire roman in zijn kar legt. Boeken zijn hier voor iedereen. Als schrijver kijk je natuurlijk jaloers naar dit soort koopgedrag.

Maar genoeg idyllische beschrijvingen. Je hébt natuurlijk ook de keerzijde van de Franse liefde voor taal. Die begint al tijdens het dagelijkse televisiekijken. Heeft u al eens geprobeerd om een Franse talkshow te volgen? Zoiets is naar onze normen haast onmogelijk. In de meeste talkshows zitten er één gast en drie of vier presentatoren, die allemaal door elkaar heen praten en tien keer meer aan het woord zijn dan de uitgenodigde gast, die er vaak maar een beetje voor spek en bonen bij zit. De radio functioneert ook al op exact dezelfde wijze, en de ‘gewone’ mensen nemen die onhebbelijkheid over. Het gebeurt wel eens dat ik naar een voordracht ga over een of ander onderwerp, en dat er achteraf vragen gesteld mogen worden. Bij ons is het principe van zo’n vragenmoment duidelijk: je stelt een vraag over iets wat de spreker verteld heeft. Hier niet: van zodra de vraagsteller de micro bemachtigd heeft, begint hij of zij doorgaans een minuutje of zo een heel eigen verhaal of mening te verkondigen, om dan helemaal op het einde van het betoog tot zoiets als een vraag te komen, áls hij of zij die ondertussen niet vergeten is.

Een Engelsman uit ons dorp vindt dit al even hilarisch als ik en zegt vaak: “Weet je wat het grote verschil in debatcultuur tussen de noorderlingen en de Fransen is? Vergelijk het met een reis: wij discussiëren om op de bestemming aan te komen, terwijl voor hen niet de bestemming maar de reis zélf het belangrijkste is.”

Dan lachen ‘wij noorderlingen’ samenzweerderig, kijken op onze horloge en haasten ons naar huis voor ons geliefde heure de l’apéro. Dat hebben we dan wel van ‘die Fransen’ overgenomen. Dat wel.

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content