Comme chez Koen: “‘Er hangt geen ene vijg meer aan mijn bomen’, klaagt Aimé. ‘Het zijn zeker die rotkinderen van de buren!'”

Comme chez Koen: "'Er hangt geen ene vijg meer aan mijn bomen', klaagt Aimé. 'Het zijn zeker die rotkinderen van de buren!'"

Libelle-columnist Koen Strobbe (56) is auteur en woont met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten in het zuiden van Frankrijk. In zijn wekelijkse column vertelt hij over zijn leven in ‘la douce France’.

Aimé

Na wat gezondheidsperikelen in de wintermaanden gaat het weer goed met het bejaarde koppel Marceline en Aimé. Die laatste heeft, met de noeste werkkracht en de koppigheid van een kwieke tachtiger, ook dit jaar van zijn moestuin weer een pareltje gemaakt. Zijn tomatenplanten zijn al flink opgeklommen en de eerste glimmende vruchten krijgen al een rode schijn. Verder zie ik bonen- en erwtenplanten in het gelid staan, paprika-, aubergine- en courgetteplanten en een perceel aardappelen.

Normaal gezien zit het paartje op deze tijd van de dag in de schaduw voor het huis, maar nu is het stil. Dus kijk ik over de haag om te zien of Aimé toevallig niet in zijn boomgaard aan het werken is. “Nog één die wil zien wat er te halen valt, zeker”, hoor ik plots uit de tuin. Aimé zit op een stoel onder het diepgroene bladerdak van een vijgenboom. Zijn stem klinkt allesbehalve vrolijk. “Oei, wat scheelt er?” vraag ik. Hij staat op, komt naar me toe en wijst dan met zijn duim achter zich. “De eerste vijgen van het jaar: állemaal weg.” De meeste vijgenbomen produceren twee oogsten per jaar. Een eerste keer wat vijgen in de late lente en een tweede keer volop in de zomer. Geen idee trouwens waarom we in het Nederlands ‘vijgen na Pasen’ zeggen, want de eerste vijgen zijn hier altijd pas na Pasen rijp.

“Ik ben er zeker van dat het die rotkinderen van de buren waren. Sinds kort is er een gat in de haag tussen hun en mijn tuin: dat kan geen toeval zijn.”

“Ik ben er zeker van dat het die rotkinderen van de buren waren. Sinds kort is er een gat in de haag tussen hun en mijn tuin: dat kan geen toeval zijn.” Zo ken ik Aimé: altijd meteen zeker dat hij weet wat er aan de hand is. “Zouden het geen vogels kunnen zijn?” vraag ik, voorzichtig om hem niet nog bozer te maken. “Bij ons in de tuin hangt er namelijk ook geen ene vijg meer aan de boom, ik vrees dat we een net moeten spannen.” Aimé schudt hevig zijn hoofd. “Vogels? Onmogelijk, want dan zouden er nog restjes onder de boom liggen, en die liggen er niet!” “Zou het niet kunnen dat de egels, muizen, ratten of wat dan ook meteen met die restjes zijn gaan lopen?” “Ach, geloof jij maar wat je wilt, ik wéét dat het die kinderen waren.”

“Waarom maak je het gat in de haag dan niet dicht met wat kippengaas?” vraag ik. “En nog geld gaan verspillen aan dat gespuis ook?” antwoordt Aimé strijdvaardig. “Nee, vanavond als hun vader thuiskomt, zal er een stevig woordje vallen. Mensen voeden hun kinderen tegenwoordig niet meer op zoals het hoort.” “Die meneer lijkt mij toch een brave man, en de kinderen wandelen met hun hond af en toe bij ons voorbij. Ik kan er geen kwaad woord over zeggen.” “Natuurlijk niet, dit soort fratsen durven ze enkel met oude mensen uit te halen!”

Ik schud lachend mijn hoofd en vrees dat dit weer zo’n typisch dagje is waarop er met Aimé geen land te bezeilen valt, omdat de hele wereld tegen hem is.

Ik schud lachend mijn hoofd en vrees dat dit weer zo’n typisch dagje is waarop er met Aimé geen land te bezeilen valt, omdat de hele wereld tegen hem is. “Kijk,” zeg ik, “daar hangt er toch nog één.” De oude man draait zich om en roept begerig: “Waar?” “Daar, helemaal boven, in de hoogste tak.” “Verdraaid, je hebt gelijk,” zegt hij blij, “ik haal mijn ladder.”

Ik kijk hem na terwijl hij naar het schuurtje tjokt, waar hij zijn ladders bewaart. Aimé heeft voor alles een aparte ladder: voor de olijfpluk, voor de boomgaard, voor het onderhoud van het dak. Ik zie dat zijn oude verweerde schouders weer wat frêler zijn dan vorig jaar, en hij trekt ook wat meer met zijn rechterbeen. “Hé, Aimé, doe anders het poortje open, dan help ik je!” “Niet nodig!” antwoordt hij zonder om te kijken.

Plots glijdt er een schaduw over me heen en een seconde later zit er een krassende ekster in de top van de vijgenboom. Ik begin met mijn armen te zwaaien en te roepen. “Wat is er? Ik versta je niet!” klinkt het vanuit het schuurtje. Zo snel ik kan, buk ik me en raap een stok van de grond, maar als ik terug rechtkom, vliegt de ekster al weg met de vijg in haar bek. Als Aimé even later met de ladder de tuin inkomt, vertel ik hem wat er gebeurd is. “Een ekster?” zegt hij even boos als ongelovig, “die krijgt zo’n vijg toch nooit in haar bek!” Hij staart me achterdochtig aan en ik zou nog gaan denken dat hij míj van de vijgendiefstal verdenkt.

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Hier staat ingevoegde content uit een social media netwerk dat cookies wil schrijven of uitlezen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)