Comme chez Koen: “Het is altijd al mijn droom geweest om met een staf en veldfles achter zo’n kudde schapen te lopen”

Comme chez Koen: “Het is altijd al mijn droom geweest om met een staf en veldfles achter zo’n kudde schapen te lopen”

Libelle-columnist Koen Strobbe (56) is auteur en woont met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten in het zuiden van Frankrijk. In zijn wekelijkse column vertelt hij over zijn leven in ‘la douce France’.

“Oké, goed dan,” zeg ik in mijn gsm, “morgen om twee uur bij u.” 

“Wie was dát?”, vraagt Ilse nieuwsgierig als ik opleg.

Ik antwoord, alsof het de normaalste zaak van de wereld is: “Dat was de Zelfmoordboer, die hulp nodig heeft.”

Dit is wellicht het ogenblik, beste lezers, om eventjes het een en ander te verduidelijken: op weg van ons woonhuis naar onze vakantie-huurhuizen, passeren we altijd een boerderij met een toegangspoort vlak bij de rand van de weg. Het is zo’n typisch Franse landweg, waar auto’s elkaar nauwelijks kunnen kruisen, maar waar de Franse rallypiloten toch met honderd kilometer per uur voorbijrazen, dus we verbazen er ons elke keer weer over dat de boer er zonder veel op- of omkijken, zijn schapen over jaagt naar de weides aan de overkant. Vandaar dus zijn bijnaam ‘Zelfmoordboer’.

Nadat de herder en ik al lang naar elkaar knikten als ik er voorbijreed, kwam er een paar weken geleden een ontmoeting. De schaapherder had namelijk niet door dat een van zijn schapen nog rustig in de berm stond te grazen terwijl hij met zijn kudde al een paar honder meter verderop op een helling stond. Ik toeterde, stopte en zwaaide naar hem in verband met het schaap, en zo raakten we aan de babbel.

Het viel me op dat hij eigenlijk nog niet zo oud was. In het voorbijrijden had ik hem, met zijn ruwe wollen poncho en zijn vilten punthoed in ‘Lord of the Rings’-stijl, altijd al zeventig geschat, maar van dichtbij bleek er achter de grijze baard een kwieke vijftiger te schuilen.

Vroeger was hij boekhouder geweest, in Valence, zei hij. Maar die bureaujob was hij zo beu geworden dat hij niet getwijfeld had toen deze boerderij met zijn tachtig schapen een jaar of twee geleden te koop stond. Zijn vrouw, die hem eerst voor gek had verklaard, was na enkele maanden ook overstag gegaan voor hun nieuwe leven.

“En wat doet u dan? Melken en kaas maken?”, vroeg ik hoopvol, want ten huize Strobbe zijn we verlekkerd op geiten- en schapenkaas.

“Voorlopig nog niet,” zei hij, “alles gaat nog naar de coöperatieve, maar een dezer begin ik er zelf aan.”

“Dan word ik uw eerste klant”, zei ik resoluut en we wisselden gsm-nummers uit, zodat hij ons kon verwittigen als het zover was.

Sinds die ene ontmoeting was het weer bij vriendelijk knikken en zwaaien gebleven, maar nu belde hij dus. Niet om mij een lekker kaasje te verkopen, maar omdat hij in de rats zat. “Ik heb gi-gan-tisch het verschot in mijn rug”, kloeg hij. “Maar toch moeten de schapen dagelijks hun toer maken, zeker nu het gras nog zo sappig is. Enkele buren gaan me helpen, alleen voor morgenmiddag vind ik maar niemand. En toen dacht ik aan u.”

Na één gesprekje, denk ik, maar ik zeg meteen ja. Het is altijd al mijn droom geweest om eens met een staf en een veldfles achter zo’n kudde aan te lopen. Moeilijk kan zoiets niet zijn.

De volgende dag drukt de boer, pijnlijk kromgebogen aan de poort, me inderdaad zijn staf in de hand. “Laat Sonette maar lopen, de rest volgt haar wel. Om terug naar hier te komen, laat je haar gewoon aan dit koekje ruiken, maar je geeft het haar pas als ze met de kudde weer door de poort is gestapt.” Het schaap Sonette, dat laat zich raden, draagt een belletje en is het leidschaap.

Ik loop achter de schapen aan en ben de hele tijd aan het tellen, bang om straks met de kudde minus één terug te komen. Maar de wollige dikkerds schieten de hele tijd alle kanten uit, waardoor tellen onmogelijk is. Ik ben voortdurend bezig om achterblijvers met mijn stok aan te porren om bij de groep aan te sluiten. In de hitte vind ik zelfs geen moment om wat te drinken.

Wanneer we drie uur later eindelijk terug door de poort lopen, springt Sonette tegen me op en wil haar koekje.

“En, zou het iets voor u kunnen zijn, die schapen?”, vraagt de boer.

“Wél nogal stressy, zo’n kudde bijeenhouden”, zeg ik.

“Anders: je hebt mijn nummer, hè”, dringt hij aan. “Voor mij is vijf jaar genoeg geweest: op het einde van de zomer wil ik terug naar Valence, naar m’n oude kantoorjob.”

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Hier staat ingevoegde content uit een social media netwerk dat cookies wil schrijven of uitlezen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)