Comme chez Koen: “Regelmatig gebeurt hier iets dat je nooit voor mogelijk had gehouden”

Comme chez Koen: "Regelmatig gebeurt hier iets dat je nooit voor mogelijk had gehouden"

Libelle-columnist Koen Strobbe (56) is auteur en woont met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten in het zuiden van Frankrijk. In zijn wekelijkse column vertelt hij over zijn leven in ‘la douce France’.

Wanneer je als schrijver in Zuid-Frankrijk een keer zonder inspiratie dreigt te vallen, volstaat het om de voordeur achter je dicht te trekken en een wandeling door het dorp te maken. Meestal duurt het niet lang voor er iets gebeurt dat je in je verbeelding niet voor mogelijk had gehouden.

Het is nog maar tien uur ’s ochtends en toch is het al behoorlijk warm. Al van ver hoor ik het luide geblaf van onze dorpshond Bébé en wanneer ik de hoek van onze straat omsla, zie ik een kranige oude man wild met een hooivork staan zwaaien. Het is Cyrille; ik herken hem aan zijn typische kledij, een oude kostuumbroek, een wit onderhemdje en versleten bottines. Cyrille is weduwnaar en ergens midden de tachtig. Hoewel hij in een rijhuisje in het dorp is komen wonen toen zijn zoon en diens vrouw de boerderij overnamen, is hij toch nog elke dag op die boerderij te vinden. Hij sproeit er met de tractor de wijngaarden en voorziet ook de paarden die zoonlief kweekt van vers water. En daar is het vanochtend blijkbaar misgelopen.

“Een kranige oude man zwaait wild met een hooivork. ‘Opgelet, ze komen eraan!’, roept hij”

“Opgelet, blijf waar je bent”, roept hij me toe. “Ze kunnen er elk ogenblik aankomen!”
“Wie?” roep ik terug.
“Die rotpaarden natuurlijk, ze zijn weer eens uitgebroken!”
Iedereen in het dorp weet dat je, vooral als het donker is, best niet te hard rijdt in de buurt van de boerderij, want de paarden zijn vaker buiten hun omheining te vinden dan erbinnen. Dat is ook niet verwonderlijk wanneer je de slechte staat van de afrastering ziet, maar volgens Cyrille heeft hun uitbraakwoede daar nooit iets mee te maken. Het is steevast ‘de mistralwind die ze schichtig maakt’, of ‘een groep uit het bos stormende everzwijnen die ze heeft opgejaagd’. Het feit dat hij hier nu in zijn eentje de smalle dorpsstraat blokkeert, betekent dat zijn zoon en kleinzoon de losgebroken paarden met hun pick-ups naar hier aan het drijven zijn, waar ze tussen de huizen niet weg kunnen en vanwaar zij ze met een touw om hun nek terug naar de weide kunnen brengen.

Het probleem is nu dat Bébé is komen opdagen en denkt dat de woest zwaaiende Cyrille met hem wil spelen. Als de paarden straks de blaffende hond op hun weg vinden, loopt het gegarandeerd mis. “Kun jij de hond niet meelokken?” vraagt de oude boer, hoewel hij even goed als ik weet dat Bébé een heel eigen willetje heeft en je hem met zijn zestig kilo pure berghondkracht niet zomaar bij zijn nekvel grijpt.
“Pak een saucisse” roept Cyrille en wijst met zijn hoofd in de richting van de op een kier staande voordeur van zijn huisje.
“En waar vind ik die worst?” vraag ik.
“Overal”, is het bevreemdende antwoord.

“Letterlijk overal hangen strengen worsten te drogen. En wat erger is: het hele huisje wemelt van de vliegen, de worsten zien er zwart van”

Ik ben nog nooit bij Cyrille binnen geweest, want meestal zit hij zoals alle andere oudjes buiten op een bankje. Wanneer ik de deur openstoot, weet ik meteen wat hij bedoelt. Letterlijk overal hangen strengen worsten te drogen: aan tientallen nagels tegen de plafondbalken, over een droogrekje dat normaal voor de was wordt gebruikt, aan alle deur- en vensterklinken… En wat erger is: het hele huisje wemelt van de vliegen, de worsten zien er zwart van. Ik overwin mijn afkeer, trek een worst van een streng en loop ermee naar buiten. Meteen springt Bébé tegen me op en ik loop, met de worst hoog boven mijn hoofd, terug naar ons huis. Ik open de poort, gooi de worst naar binnen en sluit de hond voorlopig op in onze tuin. Wanneer ik terug beneden kom, zijn de paarden al goed en wel aan de pick-ups gebonden. Ik hoor nog net hoe Cyrilles zoon hem de mantel uitveegt omdat hij domweg vergeten is om de omheining terug af te sluiten nadat hij de paarden water had gegeven. Iets wat Cyrille vloekend en tierend ontkent.

Als de wagens met de paarden wegrijden, vindt de oude man zijn kalmte terug en bedankt mij voor mijn hulp.
“Kom binnen voor een kopje koffie of een pastis”, nodigt hij me uit. Ik verzin meteen een uitvlucht: dat het te vroeg is voor pastis, te laat voor koffie, en dat ik sowieso de hond moet gaan ontzetten voor hij onze tuin helemaal verwoest.
“Je hebt daar best wel veel worsten te drogen hangen”, kan ik toch niet nalaten te zeggen, “en ook veel vliegen.”
“Ach, die vliegen kunnen geen kwaad, zo drogen de worsten beter”, zegt Cyrille. Hij voegt er doodleuk aan toe: “Ik eet er sowieso zelf niet van.”
“Waarom niet?” vraag ik gespeeld nieuwsgierig.
“Ze zijn gemaakt van everzwijnenvlees”, haalt hij zijn neus op. “Er was weer veel te veel van, na de drijfjacht van vorige week, dus mijn zoon heeft me met dertig kilo opgezadeld. Ik maak er worsten van, mijn zoon neemt die dan weer mee als ze droog zijn en op zondagmorgen smullen de jagers ze na hun volgende drijfjacht op bij de apero.”
“Zozo”, zeg ik en ik kan een lach niet onderdrukken bij de stiekeme gedachte dat die arme everzwijnen op deze manier postuum toch nog wraak kunnen nemen op de jagers.

Lees meer van Koen Strobbe:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Lees verder na de reclame

Het volgende Libelle-artikel is echt even het wachten waard :)