Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Koen

Koens column: “De echte reden dat ik Kwinten bij regenweer naar school breng, is een stemmetje dat zegt: wat als er iets gebeurt?”

Koen Strobbe (57) keert na twintig jaar in het zuiden van Frankrijk met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten terug naar ons land.

Omdat het barslecht weer is, breng ik Kwinten vandaag met de auto naar school. Normaal gezien neemt hij elke dag de fiets, want voor een zestienjarige die niets liever doet dan spelletjes spelen op zijn pc biedt dat schooltraject ten minste de garantie op wat dagelijkse beweging, vinden Ilse en ik. Maar vandaag dus niet, vandaag is het veel te nat.

“Mijn vaderhart slaat een paar tellen over: hoe kun je als ouder het gevaar niet inschatten dat zo’n kleuter loopt?”

Op de terugweg sta ik op een drukke steenweg stil voor het rood licht. Aan een zebrapad staan mensen met kleine kinderen te wachten tot het voetgangerslicht op groen springt. Aan de andere kant van het zebrapad zie ik een kleuterschooltje. Als de groep mensen zich in gang zet, komt er in de verte nog een vader aangelopen, met een dreumes van een jaar of vier aan de hand. Hopelijk haal je het nog, denk ik, want het voetgangerslicht staat ondertussen al een tijdje op groen. Maar op het ogenblik dat de man het zebrapad bereikt, geloof ik mijn eigen ogen niet: hij geeft de dreumes een zetje en laat het kind alleen de drukke weg oversteken. Het zoontje is nog niet eens aan de andere kant als de vader zich alweer heeft omgedraaid en rustig wegkuiert.

Mijn eigen vaderhart slaat een paar tellen over als ik zoiets zie. Hoe kun je als ouder het gevaar niet inschatten dat zo’n kleuter loopt? Wat als hij zich plots omdraait, terwijl de auto ’s zich weer op gang trekken? Of wat als een onbekende het kindje meegraait tussen het zebrapad en de schoolpoort? Nee, ik begrijp het niet. Tegelijk besef ik dat ik zélf misschien gewoon té voorzichtig ben.

Als ik Kwinten bij hevig regenweer naar school breng, is dat immers maar ten dele om te voorkomen dat hij kletsnat op school zou aankomen. De echte reden is dat er in mijn hoofd een raderwerk begint te draaien dat zegt: als het zo hard regent, is de zichtbaarheid slecht, dus auto’s zien hem misschien niet rijden en maaien hem omver. Of hij kan uitglijden en onder een vrachtwagen terechtkomen. Dat soort dingen. Dan denk ik eraan wat voor een zegen het moet zijn om totaal zorgeloos door het leven te gaan en nergens gevaar in te zien.

Wij kennen mensen die in een appartement in een grote stad wonen, met twee kinderen van vier en zeven. Enkele straten verder ligt een speelparkje. Als we bij hen op bezoek zijn en Ilse naar de kindjes vraagt, antwoordt de mama dat die in het park aan het spelen zijn. “Helemaal alleen?”, vragen Ilse en ik in koor. Mama haalt met een relativerende lach haar schouders op en zegt dat het hier een veilige buurt is. De kindjes gaan altijd, alleen, te voet naar daar. Uiteindelijk is het zusje van zeven toch al groot genoeg om op haar broertje van vier te letten.

“En toch, telkens als ik dit soort ‘gevaren’ zie, is er een stemmetje in mijn hoofd dat zegt dat ook al déze mensen met een relatieve zekerheid hun kinderen gezond groot zullen brengen”

“En het bizarre is,” zegt Ilse als we terug in de auto zitten, “dat het net mensen zoals zij zijn die nooit iets voorhebben…” Op het ogenblik dat ze het zegt, kruisen we een moeder-met-kind. De vrouw houdt het meisje niet eens bij de hand en loopt zélf op het voetpad, terwijl haar kindje aan de kant van de weg loopt, waar de auto’s voorbijrazen. ‘Hallo?’ denk ik in blokletters.

En toch, telkens als ik dit soort ‘gevaren’ zie, is er een stemmetje in mijn hoofd dat zegt dat ook al déze mensen met een relatieve zekerheid hun kinderen gezond groot zullen brengen. Dat het misschien niet zij zijn die te onvoorzichtig zijn, maar dat ik het ben die te bang is.

Neem de voorbije twee jaar: wij gaven Kwinten al een FFP2-masker mee toen veel andere kinderen nog met een zelf geknutseld stukje stof voor hun gezicht in de klas zaten. Het resultaat is weliswaar dat hij als een van de weinigen géén corona heeft gehad (hout vasthouden, ik weet het), maar is het dat allemaal echt waard? Waar eindigt het veilige gevoel van tevredenheid omdat je altijd verantwoordelijk omgaat met de dingen, en begint het gemis aan vrijheid omdat je misschien overdreven voorzichtig bent? Waar ligt de gulden middenweg en hoe vind je hem?

Terwijl de regen tegen mijn voorruit klettert, denk ik aan Kwinten die droog op de schoolbanken zit en ben blij dat ik hem naar school heb gebracht.

LEES MEER VAN KOEN STROBBE:

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!